STO Reisgarantie

Vereniging van Kleinschalige Reisorganisaties
Wethouder Verrietstraat 6
6576 DB Ooij (gem. Ubbergen)
Tel: 024-6633293
Mob: 06-51742871
E-mail:

Reisverslagen

Luxemburgtocht; 26 tot en met 29 oktober 2018

Wat was ons verblijfadres?
Hôtel Pérékop, aan de rand van het dorp Berdorf

Waar hebben we gewandeld?

Dag 1 Rondje om het dorp Berdorf

Vanuit het hotel in zuidelijke richting. Naar het openluchttheater en “Hohllay” (overdekte ruimte met stenen zuil in het midden). Afgedaald naar bodem van beekdal (Aesbach). Hier rechtsaf geslagen. Bos verlaten. Omhoog via straat met huizen. Weggetje met “zonnepaneel-lantaarnpalen”. Brede asfaltweg zonder auto’s (sinds 1 juni zijn veel wegen afgesloten vanwege een hevige regenbui, waarbij het water veel verwoestingen heeft aangericht). Perenboom met maretakken. Nieuwbouw Berdorf. Voetpad achter de huizen (weilanden en een enkele boomgaard). Koffie-/theepauze. Langs doorgaande weg terug naar hotel. Groene specht waargenomen.

Dag 2 Over een voormalige spoorlijn naar Consdorf. Terug door het romantische Dosbaachtal

Vanuit het hotel wederom naar Hohllay gelopen. Beekdal (Aesbach) in zuidelijke richting verlaten. Omhoog. Eerst bos, later enkele open plekken. Op de asfaltweg rechts. Weilanden, paarden, koeien, boomgaardjes. Buurtschap Kalkesbach. Asfaltweggetje naar beneden. Indrukwekkende rotsformaties. Voormalige spoorlijn. Reisleider is even de weg kwijt, te vroeg afgeslagen. Via trappetjes omhoog. Eerste huizen Consdorf. Tussendoor paadje. Koffie-/theepauze. Kerk bezocht. Achter de camping het bos ingedoken. Eerst omlaag, dan een tijd lang omhoog. Langs het pad verschijnen opnieuw zandsteenformaties. Iets afgedaald. Lunch (picknickbanken). Beukenbos met veel hulst in de struiklaag. Hoge rotspartijen, romantisch beekdal, veel fotomomenten. Boven op het plateau naar links. Bovenrand van helling gevolgd. Akkerrand met nog verschillende bloeiende planten (o.a. bernagie en kamille). Watertoren. Berdorf. Splitsing groep. Afgedaald naar bosrand. Kort lusje naar “Mutter Gott” (nis in rots met beeldje van de Heilige Maagd Maria). Hotel.

Dag 3 Op en neer naar Echternach

Begonnen met een stuk doorgaande weg. Vanwege een afsluiting verderop geen autoverkeer. Het echte zondagmorgengevoel. De weg is op een enkele plaats uitgehakt in de rotsen. Bij de hoge rots, de Pérékop, de spleet ingegaan. Omhoog in het halfduister via traptreden en een metalen ladder. Boven genoten van het uitzicht. Nog een stukje stijgen. Naar de rand van het plateau. Twee kilometer verder het volgende uitzichtpunt, Geierslay, bereikbaar via een korte ladder. In de verte is een stukje van de stad Echternach te zien. Een pittige afdaling. En dan geleidelijk verder naar beneden. We passeren een waterreservoir. De Aesbach steken we over middels een nieuw bruggetje. Naast het pad stroomt water door een goot. Ooit aangelegd, om het rad van een watermolen aan te drijven. Grote aantallen tongvarens. Stadsrand. Winkelstraat. Koffiepauze. Een groep kraanvogels in de lucht. Cultuurhistorische wandeling door de stad (oudste huis, marktplein, stadhuis, basiliek, stadsmuren). Onderbroken door een korte lunch in het park langs de Sûre/Sauer. Stad verlaten via een klinkerpaadje, dat zigzaggend de heuvel opgaat. Terugblik op Echternach. Wolfsschlucht. Naar de bovenzijde van een rotszuil geklommen. Middels een trap en een brug. Afgedaald naar het dal van de Aesbach. Asfaltweg ook afgesloten voor voetgangers. Paadje evenwijdig aan de hoofdweg gevolgd. Door het Labyrinth (smalle doorgang tussen de rotsen). Pérékop. Splitsing groep. Extra lus. Opnieuw door de spleet. Boven bij de bosrand naar links. Halsbaach (enkele huizen). Overvliegende kraanvogels. Berdorf. Hotel.

Dag 4 Klimmen en klauteren op de zuidhelling van de Sûre/Sauer

Vanuit het hotel in noordelijke richting gelopen. Berdorf. Vijfsprong op 378 meter hoogte. Enige tijd langs de rand van het bos gelopen. Iets afgedaald. Al gauw de eerste rotspartijen. Het smalle pad blijft redelijk op hoogte. Met rechts van ons het rivierdal. En links de bovenrand van de helling. Een kloofje (Mandrack Passage). Bukken en je zelf zo klein mogelijk maken. Fraaie uitzichtpunten (o.a. Casselt), bereikbaar via trapjes, ladders en bruggetjes. Reisleider besluit om tweede deel van de wandeling over “gewone weggetjes” te laten gaan. Deze zijn makkelijker begaanbaar, waardoor we wat sneller de resterende afstand naar het dorp kunnen overbruggen. Camping. Centrum Berdorf. Koffiepauze. Splitsing groep. Begin van driekwart cirkel om hotel. Bovenrand beekdal (Aesbach). Hotel.

Waar hebben we genoten van koffie/thee met iets erbij?
Dag 1
Café Berdorfer Eck te Berdorf (café annex winkel (dagelijkse boodschappen + bijzondere streekproducten))
Dag 2
Café de la Poste in Consdorf (kleine ruimte, trefpunt voor Portugezen uit de regio)
Dag 3
Konditorei Zehren in het centrum van Echternach (veel keuze, iedereen kon zelf een gebakje dan wel een taartpunt aanwijzen)
Dag 4
Hotel-Restaurant Trail Inn, nabij de kerk van Berdorf (kannen koffie en heet water in theepotjes, drie soorten gebak op grote schalen, zelfbediening)

En tot slot, hoe was het weer?
Op wat miezerregen (dag 1) en enkele spatten (dag 4) na, was het overdag steeds droog. Bewolking had op alle dagen de overhand. De zon liet zich maar weinig zien. Op 28 en 29 oktober woei het stevig. De temperatuur bereikte waarden tussen de 6 (dag 3 en 4) en 9 graden (dag 1).
Bericht geplaatst door Rowan Koster op dinsdag 13 november 2018


Kop van Goereetocht; 14 tot en met 16 september 2018

Wat was ons verblijfadres?
De helft van de groep heeft geslapen in Hotel Akershoek in het centrum van Ouddorp nabij de Nederlands Hervormde Kerk. Terwijl de andere helft in Pension Ouddorp, aan de westkant van het dorp, de nacht heeft doorgebracht.

Waar hebben we gewandeld?

Dag 1 Via de Middel- en Oostduinen naar de Kwade Hoek. Terug via het stadje Goedereede.
Rond 11.30 uur zijn we begonnen met de eerste wandeling. Vanuit Hotel Akershoek liepen we in noordoostelijke richting het dorp uit. Voorbij een rotonde komen we bij het eerste natuurgebied: Het Bosje van Ouddorp. Korte tijd later gevolgd door nog een bosje en –achter een omheining- de Middelduinen. Voordat we de duinen ingaan, passeren we verschillende huizen, het begin van het buurtschap Oostdijk. Pompoenen en sierkalebassen liggen uitgestald. En verschillende voortuinen staan vol met bloeiende planten. Een beeld, dat overal rondom Ouddorp terugkeert. In de Kwade Hoek (duinen, strand, slenken, schorren, moeras) ontdekken we ook talloze bloemen. Ik noem slechts: Heelblaadjes, Rode ogentroost, Zeewolfsmelk, Zeeaster en Heemst. Een groep lepelaars weet ook onze aandacht te trekken. En dat alles op zichtafstand van de Maasvlakte. Een smal weggetje met aan weerszijden struiken en bomen brengt ons naar de polder. In de verte ligt Goedereede. Langs het kanaal bereiken we de voormalige haven van dit stadje. Met rondom fraaie koopmanshuizen. Voor een van deze panden (Gasterij ’t Sas) houden we halt. Voor koffie/thee met iets erbij. We verlaten Goedereede via een andere waterloop, nadat we eerst nog een rondje om de kerk en de molen hebben gelopen.

Dag 2 Naar de schurvelingen, de vuurtoren en het Volgerland
Ditmaal koersen we naar het noordwesten. Naar natuurgebied De Kleistee, waar we de eerste schurvelingen (met houtgewas, kruiden en grassen begroeide zandwallen) tegenkomen. Ruim een kilometer verder maakt het besloten landschap plaats voor open terrein. De Westduinen (met schapen, witte runderen en antennes) gevolgd door een polder. Voorbij aardappelvelden opnieuw duinen. En ten slotte de Noordzee. Eerst naar binnen bij Strandtent Iloon voor koffie/thee en een stuk gebak. Na een klein uur zetten we onze wandeling voort. Over het strand richting de in de steigers staande vuurtoren. In het Volgerland, een weidegebied met een brede slenk, zijn tientallen brandganzen neergestreken. Ook zien we grauwe ganzen, bergeenden en lepelaars. Bij een bunker eten we ons brood op. Dezelfde landschappen als op de heenweg trekken aan ons voorbij. Akkers, Westduinen (met grote ruwe keien en kleine gepolijste stenen) en schurvelingen (Mannenpad). Maar er zijn ook verschillen. Zo volgen we een graspad, dat aanvankelijk door een rietmoeras voert en vervolgens over een perceel met bloeiende phloxen. En natuurlijk ontbreken ook nu de pompoenen en sierkalebassen niet. Eenmaal terug in Ouddorp kan er gekozen worden: rechtstreeks naar het pension of het hotel of een extra lus langs de oevers van het Grevelingenmeer. Wie voor extra kilometers kiest, krijgt het haventje van Ouddorp te zien, kan met een drankje op het terras over de zonovergoten watervlakte turen en ziet vanaf de dijk een schans liggen.

Dag 3 Expeditie Tiengemeten
Normaalgesproken ligt het wandelgebied op niet al te grote afstand van het hotel. Ditmaal moeten we echter bijna een vol uur in de auto zitten alvorens we kunnen starten met lopen. En dan gaat het in eerste instantie ook nog maar om een paar honderd meter. Pas als we het Vuile Gat, het water tussen het buurtschap Nieuwendijk en het eiland Tiengemeten met de veerpont zijn overgestoken, kunnen de remmen los. De oostpunt van het eiland is ons eerste doel. Een asfaltweg loopt de goede kant op. Rechts van ons is veel water. Onderdeel van het deelgebied “Weelde”. Hier zijn de dijken op verschillende plaatsen verlaagd, waardoor in de winter het water van het Haringvliet naar binnen kan stromen. In “Weemoed” is een stukje landbouwgebied bewaard gebleven. Niet al te grote akkers met groene stroken er tussen. En in tegenstelling tot vroeger, mag je je te voet over en langs de percelen verplaatsen. Bij de Herberg strijken we neer op het terras. Voor een bakje koffie of een glas thee. En iets lekkers. Een lang graspad door de ruigte brengt ons bij een uitkijkheuvel. De laatste kilometer voert over asfalt en klinkers. Bij het pannenkoekenrestaurant sluiten we de Kop van Goereetocht af. Met een drankje en een hapje. Beneden plaatsen we onze bestelling. Daarna gaan we naar zolder en wachten af. Helaas duurt het geruime tijd voordat de pannenkoeken, broodjes, salades en uitsmijters arriveren.
Bericht geplaatst door Rowan Koster op woensdag 10 oktober 2018


HOGE VENENTOCHT, 21 t/m 24 augustus 2018

overnachtingsadres: Hotel Eifeler Hof, Manderfeld, België

Familiehotel Eifeler Hof in Manderfeld fungeerde als uitvalsbasis. We zijn hier op dinsdag gastvrij onthaald met koffie/thee en iets lekkers erbij. ’s Avonds werd ons stevige kost voorgezet. Op schalen werden varkensvlees (dag 1), kalfsfilet (dag 2) en kalkoen (dag 3) aangeleverd. Het voorgerecht bestond op dinsdag- en woensdagavond uit soep. Op donderdag begonnen we met gerookte forel. Caramelmousse, sorbetijs en apfelstrudel stonden gedurende ons verblijf als dessert op het menu. De kok had duidelijk minder ervaring met het klaarmaken van vegetarische gerechten. De eerste avond moesten de vegetariërs onder ons het doen met een bak sla en enige aardappelen. Gelukkig waren de vleesloze maaltijden op dag 2 en dag 3 wat gevarieerder van samenstelling.
Het hotel werd ook druk bezocht door mensen uit de buurt. Om te eten, te kaarten, een feest te vieren of om een begrafenis af te sluiten. Wat ons betreft had het wel wat stiller gemogen. Niet iedereen kon voldoende van zijn of haar nachtrust genieten.

Het weer was nog echt zomers te noemen. Met name op dag 1 en dag 2. Op woensdag steeg de temperatuur naar 30 graden. We hebben daarom zoveel mogelijk langs het water (stuwmeer van Bütgenbach) en onder de bomen gelopen. Een dag later stond er meer wind en liet de zon zich wat minder vaak zien. Met een lagere temperatuur (max. 23 graden) tot gevolg. Op de laatste dag regende het zelfs een tijdje. Het was daarom frisjes toen we aan de wandeling begonnen.

Waar hebben we gewandeld?

dag 1
Vanuit het hotel zijn we afgedaald naar de Our, ter plaatse nog een onbeduidend stroompje, om vervolgens door een stukje bos en langs smalle houtopstanden naar boven te lopen. Eenmaal boven konden we ver om ons heen kijken. Ondermeer naar Duitsland, waar tientallen hoge windmolens onderdeel zijn gaan uitmaken van het heuvellandschap. Bij een luxe schuilhut eten we onder een afdak dan wel in de zon onze (laatste) boterhammen op. De Our wordt nogmaals overgestoken. En dan volgt een lange klim. Langs een paar vakantiewoningen. De groep valt tijdelijk uiteen. Bij een larikslaantje net onder de top, kan iedereen echter uitblazen. Gezamenlijk dalen we af naar Manderfeld.

dag2
Net voorbij de brug over de Warche (met groen wegdek) worden vier auto’s geparkeerd. De wandeling rondom het stuwmeer van Bütgenbach kan beginnen. We lopen eerst een fietspad op, dat onlangs is aangelegd op een voormalige spoorlijn. Al gauw buigen we af. Omhoog. Een sparrenbos in. Twee en een halve kilometer verder zien we het eerste stukje water opdoemen. Een zijarm van het stuwmeer. De oever is dichtbegroeid met wilgen, riet en andere moerasplanten. Vlak naast het pad ontdekken we enkele in bloei staande herfsttijlozen. Het fietspad over de spoorlijn brengt ons naar de rand van Bütgenbach. We gaan een stukje omhoog, naar het centrum, om bij Konditorei Heinen wat te gaan gebruiken. Iedereen mag zelf een gebakje in de vitrine aanwijzen.
Na de koffiepauze dalen we af naar de stuwdam. En gaan we over de noordoever verder. Vlakbij het brede water, maar in de schaduw van bomen, spreken we de inhoud van ons lunchpakket aan. Het stuwmeer wordt gevoed door verschillende stroompjes. Langs de Holzwarche zijn houten vlonders aangebracht. Terug bij de parkeerplaats kan er gekozen worden. Bij de auto’s blijven of een extra lus. De extra kilometers voeren door het dal van de Warche en over het fietspad naar Büllingen. Daar lessen we onze dorst in een café.

dag 3
Met vier auto’s rijden we naar de parkeerplaats van de herberg Baraque Michel. We bevinden ons hier op circa 675 meter hoogte. We steken de doorgaande weg over. We passeren een oude grenssteen (België/Pruisen). Via een vlonderpad bereiken we het brongebied van het stroompje La Helle. In de herberg doen we ons tegoed doen aan koffie/thee met iets erbij.’s Middags gaan we de andere kant op. Naar het westen. Naar het “Kruis van de Verloofden”, de Polleur (een kronkelend beekje) , een kapvlakte en het Polleurveen. Het traject langs en hoog boven de Polleur is spectaculair te noemen. Vlakbij de beek lopen we hele stukken over houten bruggetjes. Het zwaarst is het tussenstuk. Een steil paadje omhoog door een sparren- en dennenbos met heel veel gladde boomwortels. Het fraaie uitzicht in noordelijke richting maakt veel goed.

dag 4
Als we het dorp uitlopen, komt ons een begrafenisstoet tegemoet. Eenmaal buiten de bebouwde kom staat ons een afwisselend landschap te wachten met plukken bos, enkele beekdalen en heel veel hellingen. Vol goede moed beginnen we met de eerste klim. Af en toe staan we stil om wat uitgebreider te kunnen rondkijken. Paarden en koeien trekken de aandacht. In het Frankenbachtal komen we het eerste “kabouterdeurtje” tegen. We blijven niet lang beneden. Er moet nog een helling genomen worden. Een grindweggetje met aan weerszijden oude meidoornhagen brengt ons naar het dorpje Holzheim. Dan is het niet ver meer naar de koffie en thee. Ditmaal uitgeserveerd in de gemeenschappelijke woonkamer van pension “Holzheimerhütte”. Uiteraard is er ook gebak. Op de terugweg kiest reisleider Rowan voor een alternatieve route naar beneden. Het pad houdt op en enigszins zigzaggend onder de bomen door bereiken we een ander stukje van het Frankenbachtal. Tussen deze beek en Manderfeld ligt nog een behoorlijk hoogteverschil. Met een omtrekkende beweging door het bos en langs een aantal weilanden bereiken we ons einddoel.
In het hotel zitten we nog even bij elkaar voor een bord soep met enkele belegde broodjes.
Bericht geplaatst door Rowan Koster op dinsdag 9 oktober 2018


UNIEK Voettochten
REUZENGEBERGTETOCHT, 29 augustus t/m 5 september 2018
9 deelnemers + 1 reisleider

overnachtingsadressen: Hotel Skalka, Benecko, Tsjechië (4 nachten) en Hotel Kolorowa, Karpacz, Polen (3 nachten)

Hoe zijn we in Benecko respectievelijk Karpacz gekomen?
De meerderheid van de groep (8 deelnemers + reisleider) heeft op woensdag 29 augustus de afstand tussen Nederland en Tsjechië door de lucht overbrugd. Met KLM zijn we van Amsterdam naar Praag gevlogen. Op het vliegveld zijn we naar autoverhuurmaatschappij Budget gelopen en hebben we onze bagage in een minibus geladen. Reisleider Rowan is achter het stuur gaan zitten en is via de stad Praag, Mlada Boleslav, Turnov en Semily naar Benecko gereden. In Mala Skala hebben we even gestopt. Voor een kop koffie of thee met een bescheiden koekje erbij.
Aan het einde van de middag arriveerden wij bij Hotel Skalka. Deelnemers Jan en Wil waren reeds ter plaatse. Zij waren met eigen auto naar het Reuzengebergte gekomen.
Op 2 september hebben we Hotel Skalka/Pension Braun verruild voor Hotel Kolorowa. Met een minibus en een personenauto zijn we naar Polen gereden. Onderweg hebben we in Piechowice, een glasfabriek bezocht. Het was tevens de plek, waar we geluncht hebben.
Op dag 3 zijn we met ons allen in de minibus gestapt, om zo’n 20 kilometer verderop in Horní Míseèky, uit te stappen. Een (overvolle) shuttlebus bracht ons toen verder naar boven.
Ook op dag 7 hebben we het ons makkelijk gemaakt. Met twee stoeltjesliften zijn we in totaal zo’n 600 meter omhoog gegaan.
Op de laatste dag, woensdag 5 september, hebben we in het hotel afscheid genomen van Jan en Wil.
Daarna zijn we met de minibus naar het vliegveld van Praag gereden. Onderweg hebben we nogmaals gepauzeerd in Mala Skala nabij Turnov.
Helaas liet de terugvlucht geruime tijd op zich wachten. Als gevolg van hevige regenbuien in het westen van Nederland was het vliegverkeer ontregeld. Niet om 14.20 uur, maar pas om 18.00 uur, kon het vliegtuig koers zetten richting Schiphol.

Waar hebben we gewandeld?

dag 1
Net voor het avondeten in restaurant Skalka, hebben we even de benen kunnen strekken. We zijn naar een rotsformatie (Jindrova skala) en een kapel gelopen.

dag 2
Een uitkijktoren op een 1000 meter hoge berg (Pøední Žaly), vormt ons eerste doel. Om daar te komen, dienen we een hoogteverschil van 200 meter te overbruggen. Omhoog wel te verstaan. Vrijwel direct achter het hotel gaat het pad stevig omhoog. Puffend passeren we de laatste huizen van Benecko. In het bos klimmen we verder omhoog. Als het brede pad naar rechts afbuigt wordt het terrein om ons heen wat vlakker. Een enkele maal is er –tussen de bomen- een doorkijkje naar beneden.
In de berghut drinken we koffie of thee en kunnen we onze tanden zetten in een gebakje. Vervolgens beklimmen we de uitkijktoren. Het zicht rondom is redelijk. Reisleider Rowan wijst de plaatsen aan, waar we later deze week nog komen.
Via een andere route keren we terug naar Benecko. We lopen ondermeer onder een skilift door. In het “hart” van het dorp strijken we neer op ons eigen terras. Voor de lunch.
Wat later op de middag gaan we opnieuw op pad. Ditmaal in noordelijke, westelijke en zuidelijke richting. Een gebied met veel graslanden, boomgaardjes, vakantiewoningen en plukken bos. Een korte regenbui doet ons uitwijken naar een oude schuur, waar we onder een afdak kunnen schuilen.
Appels en pruimen hangen op verschillende plaatsen voor het grijpen. Een notekraker in de top van een spar is goed zichtbaar. Daarnaast komen we in totaal drie reeën tegen.
Wie nog wat energie over heeft, kan met Rowan mee naar de restanten van een burcht uit de Middeleeuwen. We dalen af door het dorpje Horní Štĕpanice en komen in het bos, waar op een helling ooit een stoere vesting stond.

dag 3
Zodra we uit de overvolle shuttlebus zijn gestapt, lopen we naar de Vrbatova bouda toe, een restaurant op 1400 meter hoogte. Hier drinken we koffie/thee met een bosbessengebakje erbij.
Het pad met de rood-wit-rode markering, dat langzaam afdaalt, is eerst nog breed. Aan weerszijden staan tientallen zijdeplant gentianen in volle bloei. Bij de Panèavský vodopád (waterval), stort het water van een veenstroompje vele tientallen meters naar beneden. Voorbij een groot hotel, Labská bouda, stuiten we opnieuw op water. We volgen de smalle waterloop stroomopwaarts. En komen bij de bron van de Elbe (Labe op zijn Tsjechisch).
Vijf honderd meter verder betreden we voor de eerste maal deze week Pools grondgebied. Over de centrale kam, loopt de Vriendschapsweg. Deze brengt ons naar de Wawel, een hoog gebouw, dat veel overeenkomst schijnt te hebben met een Middeleeuwse burcht van dezelfde naam in Krakow. Het pad is goed geplaveid en voert door een “zee van steenblokken”, die voor een deel zijn bedekt met een heldergroen gekleurde korstmos. De Vysoké Kolo, met 1509 meter de hoogste berg van het westelijk gedeelte van het Reuzengebergte, vereren we met een kort bezoek. We lopen een stukje terug en keren via geel terug naar Tsjechië. Naar het Elbedal en het grote hotel, Labská bouda. De volgende drie kilometers voeren over asfalt en grind. Vlak voor de halte van de shuttlebus kan er nog gekozen worden, gemotoriseerd of te voet naar beneden.

dag 4
Het is zo goed als droog als we starten met de wandeling. Voorbij Pension Braun gaan we het bos in. Langs het pad staan een aantal dieren van hout. Zoals een das en een eekhoorn. Bij een zessprong (Na Rovince) houden we halt voor koffie/thee met iets lekkers erbij. We kiezen voor binnen, want buiten is het zachtjes gaan regenen.
Wel of geen regenkleding aan? Het lijkt weer droog te zijn. We dalen af naar de Elbe. Eenmaal aan de andere kant van de rivier vallen er steeds meer spatten uit de lucht. Door de regen omhoog. Met als gevolg, dat het ook bijzonder vochtig wordt aan de binnenkant van onze regenjas en -broek. Maar niet getreurd, we zijn weer op hoogte en we stuiten op twee vuursalamanders, zwarte diertjes met geeloranje vlekken, die het heerlijk vinden, om door de natte vegetatie en bladeren te kruipen.
De lunch wordt klaargemaakt en opgegeten onder het afdakje van een kleine vakantiewoning.
We gaan nogmaals de Elbe oversteken. Eerst naar beneden en dan weer omhoog. Vlak voor de rivier gaat Hanneke onderuit op de stenen. Gelukkig weet ze weer op te krabbelen. Boven haar oog heeft ze een flinke verwonding opgelopen. En rondom haar borsten doet het pijn. De wond wordt zo goed en zo kwaad als dat gaat verbonden.
Een drankje tegen de schrik in het dichtstbijzijnde café. Hanneke kan hier verder op krachten komen. Zij wordt aan het einde van de middag opgehaald door de reisleider. De rest van de groep maakt de wandeling af. Nog zo’n zes kilometer te gaan. En circa 400 meter hoogteverschil. In het bos worden we even vergezeld door een jonge(?) en tamme kruisbek.

dag 5
De Poolse stad Karpacz ligt aan de voet van de Snezka, de hoogste berg van het Reuzengebergte. Het heeft een langgerekte vorm. De wijken aan de noordoostkant van de stad liggen op 500 meter hoogte, terwijl de Noorse kerk Wang op 850 meter hoogte ligt. Ons hotel ligt precies in het midden van Karpacz aan de winkelpromenade op circa 650 meter. Een wandeling naar de houten kerk is dus een pittige opgave. Het eerste stuk is goed te doen. Langs het riviertje de Lomnica, de stuwdam en een meertje. Als we het park uitkomen dient de eerste steile helling zich aan. Gevolgd door nog een paar andere. Al klimmend verbazen we ons over het toeristische karakter van Karpacz. Hier is men bepaald niet vies van schreeuwende reclame en geld verdienen.
Een ronde om de kerk (als bouwpakket aangeleverd vanuit Noorwegen) en dan dezelfde weg terug. Ditmaal steeds omlaag.

dag 6
Alhoewel de centrale kam van het Reuzengebergte lonkt, met goed zichtbaar de gebouwtjes op de Snezka, richten we onze blik vandaag naar het noorden. Naar de overwegend beboste heuvels en bergen tussen Karpacz en Borowice. Kort na het stuwmeertje doemt in het bos een indrukwekkende rotsformatie op (Karpatka). Gevolgd door een nieuwe wijk met veel vakantiewoningen en een hotel.
Echt ver hebben we nog niet gelopen. Maar dit zou voorlopig wel eens het laatste horeca-adres direct naast de route kunnen zijn. Dus nemen we het zekere voor het onzekere. In de ochtendzon laven we ons aan een kopje koffie of thee.
Later blijkt het restaurant bij de kapel toch gewoon open te zijn. Wij verkiezen op dat moment het koele water, dat uit de “Gute Born” stroomt. Brood en beleg komen tevoorschijn, als we twee kilometer verderop een parkeerplaats met enkele picknickbanken en een schuilhutje passeren.
Het dorp Borowice heeft niet echt een kern. De huizen staan her en der verspreid te midden van weilanden en bosjes. Een aantal gebouwen heeft een recreatieve bestemming. We komen vakantiehuizen, pensions en groepsverblijven tegen. Plus een kleine camping.
Als we een zijpad inslaan, neemt het echte klimwerk een aanvang. Tijdens de volgende twee kilometer dient iets meer dan twee honderd meter hoogteverschil te worden overbrugd. Bovendien is een deel van het pad slecht begaanbaar. Hier worden we met een stroompje geconfronteerd, dat voor modder en gladde stenen heeft gezorgd. Boven wordt het pad weer breder. En vlakker.
Bij de Scandinavische kerk komen we weer in de bebouwing en het “stadsgewoel” van Karpacz terecht. Op weg naar beneden, pauzeren we nog even op een terras. Een drankje op de goede afloop.

dag 7
Vanuit de stad is de Snezka/Sniezka niet te zien. De bergtop ligt verborgen in de wolken.
Helaas blijft dit tot ver in de middag het geval.
Op 1300 meter hoogte (Kopa) stappen we uit de tweede stoeltjeslift. Nog 300 meter omhoog. Over een afstand van ruim drie kilometer. We hebben geen haast. Eerst maar eens een bakje koffie of een glas thee drinken in de grote gele berghut. Wellicht trekt ondertussen de bewolking op. Dat valt tegen. De contouren van de Snezka blijven onzichtbaar. Deelnemer Jan houdt het voor gezien. Hij loopt terug naar de stoeltjeslift. Op weg naar de hoogste top van het Reuzengebergte, kan er gekozen worden. Via het brede geplaveide pad of het smalle stenige pad. De groep valt uiteen. Boven op de berg komen we elkaar in de mist weer tegen. Gezamenlijk dalen we af via de makkelijke route.
Het wordt wat warmer. Af en toe is er een gat in de bewolking en is de zon zichtbaar. En ook de wind is afgenomen. Tijd, om te lunchen. We nemen plaats op een picknickbank, tussen lage bergdennen en borstelgras.
Beneden in de diepte ligt het kleine gletsjermeer (Maly Staw). Bij de “Akademische berghut” slaan we linksaf. Al gauw komt het water in zicht. Eén van de mooiste plekjes van het Reuzengebergte.
Op het terras van de berghut ter plaatse, doen we ons tegoed aan een drankje met wat lekkers erbij.
Hoge rotsen en grote keien begeleiden ons op weg naar de Lomnica (riviertje). Nog even terugkijken. Naar het donkere water en de houten berghut met torentje.
Op een kruispunt (Polana) nogmaals pauze. In de zon. Met uitzicht op de wolkenvrije Snezka. Het kan verkeren. Een vlonderpad nodigt uit tot verkenning. Reisleider Rowan weet enige deelnemers mee te krijgen. Aan de rand van een nat hooiland ligt een fraaie rotsformatie (Kotki), die van dichtbij wordt aanschouwd. Terug naar de anderen.
Verder naar beneden. Naar de bovenuitgang van de eerste stoeltjeslift. Anneke kiest voor de makkelijke weg. De rest volgt de reisleider. Langs een skischans, door een stuk dennenbos en een villawijk.
Bericht geplaatst door Rowan Koster op zondag 9 september 2018


LAUWERSMEERTOCHT, zondag 11 tot en met dinsdag 13 juni 2017

overnachtingsadres: Hotel ‘het Klooster’, aan de rand van Kloosterburen

Waar hebben we gewandeld?

dag 1
Vanuit het hotel zijn we met een kleine omweg naar de Cloostertuin in het centrum van Kloosterburen gelopen. Vlakbij de door Cuypers ontworpen katholieke kerk (neogotische stijl met hoge slanke torenspits) hebben vrijwilligers met groene vingers een kleurrijke oase weten te creëren. Het meest in het oog springen de hoge planten van de artisjok. Daarnaast staan er ook al wat rozen in bloei. En grote hoeveelheden bieslook. Wat verder opvalt is de stilte (“wat een verschil met het westen”) en een man, die in zijn zwembroek onkruid aan het wieden is.
In de volle zon gaan we verder. Met links en rechts van het smalle asfaltweggetje akkers, waarop ondermeer tarwe en aardappelen verbouwd worden. In de verte doemt een hoge houten brug op. Over de Uilenestermaar. Bij de volgende brug, we zijn dan de boerderijen van het gehucht Grijssloot gepasseerd, verliest deelnemer Claartje door een windvlaag haar petje. Echt koel is het onder de lindebomen van het Van Starkenborghpad. Bij gebrek aan een bankje, nemen we op de grond plaats. Om een boterham, aangevuld met wat lekkers van de reisleider, op te eten.
De koffie-/theestop is niet ver meer. Via het Ede Staalpad (volkszanger), bereiken we de rand van Landgoed Verhildersum. In het museumcafé staan de kannen met koffie reeds klaar. Gevolgd door stukken appeltaart en twee grote slagroomspuiten. De meesten van ons, kunnen de verleiding niet weerstaan en versieren hun gebak met een royale hoeveelheid van het witte goedje.
De kern van het landgoed wordt gevormd door een stenen borg (landhuis) in het water. Vanuit hier lieten de verschillende leden van het geslacht Tjarda van Starkenborgh hun gezag gelden. De jonkers (de Groningse variant van de kleine adel) zijn inmiddels van het toneel verdwenen. Hetzelfde geldt voor de meeste van hun behuizingen. Verhildersum is gelukkig aan de sloophamer ontkomen. Sterker nog, het landgoed is in oude luister hersteld. We lopen een rondje door de Franse Baroktuin.
De terugweg voert opnieuw door Grijssloot. Bij de brug over de Uilenestermaar, kan er gekozen worden. Met een omweg of rechtstreeks naar Kloosterburen. De reisleider volgt met zijn groepje de noordoever van de enigszins kronkelende waterloop. Waarschijnlijk is het een restant van een kreek, die lang geleden door een kwelderlandschap stroomde. Een haventje en kort daarna de eerste huizen van Kruisweg. Een dorpje met supermarkt op slechts 1 kilometer afstand van Kloosterburen.

dag 2
“Er gaat niets boven Groningen”. En dat klopt. Want vanaf de Waddendijk is alleen water te zien. Alhoewel, een stukje naar het noordwesten ligt een langgerekte streep land; het eiland Schiermonnikoog. Met de wind in de rug lopen we een stukje naar het oosten. Links van ons, aan de voet van de dijk, liggen kwelders, grazige stukken land, die slechts enkele malen per jaar door de zee worden overstroomd. Een kudde paarden heeft het naar de zin. In galop snellen de dieren over de inmiddels hard opgedroogde kleigrond.
Na nog geen 3 kilometer, keren we de Waddenzee de rug toe. Over asfalt, grind en gras, gaan we verder. Naar het “toeristische bolwerk” Pieterburen. De zeehondjes laten we echter voor wat ze zijn. Wel bezoeken we, nadat we eerst genoten hebben van koffie/thee met iets erbij, “Domie’s Toen” (heemtuin) en bezichtigen we de kerk, waar een vrijwilliger, die moeilijk uit zijn woorden kan komen, heel erg zijn best doet, om ons te informeren over het wel en wee van dit godshuis in vroeger tijd.
Als we een piepklein stukje van het Pieterpad aan het volgen zijn, “wenkt” ons een andere kerktoren, die van Eenrum, om dichterbij te komen. Reisleider Rowan laat het echter niet zo ver komen. We schakelen over op het Wad- en Wierdenpad. Twee mannen op een machine turen strak voor zich uit. Een enkele maal trekken ze wat groens uit de grond. Karin vraagt, wat ze aan het doen zijn. “Wij verwijderen zieke aardappelplanten” luidt het antwoord.
Zoals wel vaker, wegen de laatste loodjes het zwaarst. Over asfalt, tegen de wind in, zwoegen we naar het dichtstbijzijnde dorp. “Is dat Kloosterburen?” “Nee Molenrij”. Molenrij zit echter vastgeplakt aan Kloosterburen, dus we zijn er bijna.

dag 3
Met zes auto’s overbruggen we de afstand tussen Kloosterburen en Lauwersoog. Aan de zuidoostkant van het dorp beginnen we met de wandeling. Achter een betonnen kunstwerk (De Poort) komen we al tientallen bloeiende brede orchissen tegen. Er zullen nog diverse andere orchideeënveldjes volgen.
Sinds de afsluiting van de Lauwerszee in 1969 zijn er op verschillende plaatsen bomen aangeplant. De sprietjes van weleer zijn uitgegroeid tot flinke exemplaren. Voor de koffie wandelen we door het Lauwersoogbos en na de lunch pakken we een stuk van het Ballastplaatbos mee.
Op de stranden van het Lauwersmeer is het rustig. Stroken met geel zand worden afgewisseld met grasvelden. In een nog niet gemaaid gedeelte staan wederom grote aantallen brede orchissen te pronken met hun felle roodroze bloemen. Ook het geel van de ratelaar is rijk vertegenwoordigd. En op een open plek in het Ballastplaatbos ontdekken we ook de kleine witte bloemetjes van de ogentroost.
Ondanks felle protesten in de jaren zeventig en tachtig, heeft het Ministerie van Defensie haar zin gekregen; een flink stuk van het nieuwe land heeft de bestemming militair oefenterrein gekregen. Gelukkig is dit gebied niet volledig op slot gegaan voor wandelaars. Zolang er niet geoefend wordt, kun je verschillende paden en wegen belopen. We zouden ons bijvoorbeeld door het mulle zand van een tankbaan kunnen verplaatsen. Een stukje terug en dan verder over een fietspad, lijkt de reisleider toch een beter plan. Zo gezegd, zo gedaan. Links van ons is water. Direct naast het pad groeien riet en lisdodde. Ook is er veel struweel aanwezig. Met name de vlier en de kamperfoelie vallen op. En de gierzwaluwen die geruisloos boven onze hoofden vliegen.
Om 14.35 uur zijn we terug bij de auto’s. Tijdens de 12 kilometer lange wandeling hebben we op aangename wijze kennis kunnen maken met de veelzijdige natuur van het Lauwersmeer. Het was een waar genot voor onze zintuigen. Al die heerlijke geuren, afkomstig van talloze fraai bloeiende planten. Met op de achtergrond de geluiden van zwartkop, kleine karekiet en zilvermeeuw.
In ons hotel sluiten we de Lauwersmeertocht af met een bord soep, aangevuld met brood. Daarna worden de tassen gepakt en aanvaarden we de terugreis naar het “zuiden”.

En hoe was het weer?
Op dag 1 was het zomers warm. Een strak blauwe lucht en weinig wind. De dag daarna hadden de wolken de overhand. Er vielen wat spatten naar beneden en het woei stevig door. En op dinsdag verschenen er steeds meer stukken blauw in de lucht. Waardoor de zon ’s middags volop ruimte kreeg, om te gaan schijnen.
Bericht geplaatst door Rowan Koster op zondag 25 juni 2017


Verslag Dordognetocht (22 t/m 29 mei 2017)

vliegreis ( Rotterdam-Bergerac v.v.) overnachting in twee hotels (Belvès; Hotel Le Home dan wel Pension Madelon, Souillac; Hotel La Vieille Auberge)

22 mei
Op maandag kwam, met een vertraging, het vliegtuig aan, met redelijk weer in de Dordogne. De taxi stond klaar en tegen 5 uur waren we in Belvès. Kamers verdeeld, en op het terras kennisgemaakt en algemene info gegeven. Daarna liepen we een rondje langs met name het alleroudste deel van Belvès, uit de 11 eeuw. Er viel een laatste regenbui tijdens het diner, daarna hebben we geen drupje (regen) meer gezien.

23 mei
Dinsdag eerst naar de grotwoningen, die vanuit een droge, natuurlijke greppel in de 13e eeuw werden uitgegraven door de allerarmsten. Wat een onmenselijke manier van leven moet dat geweest zijn.. We liepen daarna via de GR naar Segalat voor de lunch, door naar Allas les Mines, en langs de Dordogne westwaarts tot aan het punt waar de taxi ons kwam ophalen: de camping bij Saint Cyprien.

24 mei
De dag daarna liepen we, bij al hoger wordende temperatuur, een etappe van de pelgrimsweg van Bergerac naar Rocamadour, nl van Cadouin , via Paleyrac en Urval naar Belvès. In Paleyrac was het goed zitten achter het gemeentehuis; in Urval was zelfs de bar open, maar daarna werd het warm, erg warm. We splitsten de groep in tweeën , de snelleren onder ons liepen de hele route, de anderen kortten een stukje af. Waren we toch nog tegelijk in Belvès.

25 mei
De derde wandeldag was het zo warm, dat we samen besloten, om niet een grote ronde te lopen, maar twee kleine rondjes. Bijna iedereen liep in de ochtend mee, en na de siësta deden we met zijn zessen nog een kleintje..

26 mei
De daaropvolgende dag viel er niet zoveel in te korten: de route was niet lang, en we liepen van Belvès naar Les Milandes. Eerst een stuk door het bos, en daarna lunchten we op het dorpsplein van Saint Germain de Belvès. Nog even door het bos, en toen over een cause, met een prachtig uitzicht en een windje. Het kasteel van Josephine Baker is elke keer weer de moeite waard, en een fijn eindpunt van de route. De taxi haalde ons daar op en bracht ons oostwaarts naar Souillac, naar het tweede hotel.

27 mei
Zaterdagmorgen, al bijna gewend aan de temperatuur van bijna 30 graden, werden we westwaarts naar Sainte Mondane gebracht. Eerst een pad langs de Dordogne, toen de brug er overheen, en aan de overkant klommen we het dal uit door het hellingbos op de noordoever. Gelukkig was er die dag veel schaduw, maar we blijven toch Nederlanders, die niet gewend zijn te lopen in de hitte. Veel zout, veel water en een goede sfeer hielden ons op de been. Als beloning heeft het hotel van Souillac een prima zwembad. Heerlijk. En voor de jarige in de groep maakten ze een "schitterend" dessert als afsluiting van een mooie dag.

28 mei
De laatste wandeldag, alweer een hoge temperatuur waarbij je van de ene schaduwplek naar de andere spurt! De mussen lagen - letterlijk- dood langs de weg! Gelukkig is de route, als je eenmaal bij het riviertje de Ouysse bent, vrij vlak. Een prachtig dal, als een gorge, met hoge wanden aan weerskanten, waar toch zo nu en dan een frisse wind doorheen waaide. Zo nu en dan... . Bij een oude watermolen konden we ons eerste brood eten; de waterspreeuw was daar ook juist zijn maaltje bij elkaar aan het vissen. We naderden Rocamadour, maar zagen het niet, de rotswanden begeleiden ons tot het laatste ogenblik. En opeens is het er, het einddoel van onze tocht. Het was zo warm, dat het er niet eens erg druk was. Ieder nadeel..... Met onze laatste krachten beklommen we alle trappen, tot aan de kapellen bovenaan. Nou, daar was het heerlijk koel.
Onze onvolprezen chauffeur Alain was lekker vroeg, zodat we het zwembad van het hotel weer indoken, alvorens het terras op te zoeken.

29 mei
En op maandag, onze vertrekdag, tja, toen pas was het lichtbewolkt en minder warm. Goed reisweer! Met twee omleidingen ivm wegwerkzaamheden, zagen we nog wat extra Dordogne, en bereikten toch ruim op tijd het vliegveld van Bergerac.
Bericht geplaatst door Annemiek Breukers (reisleider) op woensdag 31 mei 2017


EINDEJAARSTOCHT, Zeist, maandag 28 t/m woensdag 30 december 2015

28-12
Vanuit ons onderkomen, Hotel Oud-London, hebben we drie dagen lang de bossen ten oosten van Zeist doorkruist. Tijdens de wandelingen bleek al snel, dat er tussen de bomen ook andere natuurterreintjes te vinden waren. En dat de bewoners en gebruikers van de Utrechtse Heuvelrug hun sporen hebben achtergelaten.
Zo kunnen we vanaf een “dijkje” de diepte van een zandafgraving in kijken. De kuil heeft inmiddels twee nieuwe bestemmingen gekregen: camping en natuurgebied. In de zomer zullen recreanten de rust regelmatig verstoren. Nu heerst er om ons heen een weldadige rust. De “Wallenburg” is de naam van een voormalige boerderij. Om het erf lagen cirkelvormige aarden wallen. Deze zijn nog steeds zichtbaar. Hetzelfde geldt voor de (replica van) de waterput. Na wat gegeten en gedronken te hebben, gaan we op weg naar alweer een kuil. Een kleintje ditmaal, de Kozakkenput. Kozakken, die in dienst waren van het Franse leger, zo gaat het verhaal, hebben hier een flink gat moeten graven, om bij het water te komen. Aan het begin van de negentiende eeuw werd er iedere zomer op de uitgestrekte heide een tentenkamp opgericht. Voor de duizenden soldaten was veel water nodig.
Onze voorkeur gaat uit naar een warme drank, koffie of thee. Met naar keuze appelgebak of Tsjechische honingtaart. Onderuit gezakt op de bank in de verwarmde serre van restaurant ’t Jagershuys nemen we de lekkernijen tot ons.
Deelnemer Francis heeft geruime tijd in Zeist gewoond. In haar jeugd ging ze regelmatig naar de steenbokken op de rots kijken. Ze is benieuwd of deze “berg” en de bijbehorende dieren nog steeds deel uitmaken van het park. We gaan op onderzoek uit. Met positief resultaat.

29-12
Via het klaphek komen we opnieuw op het “dijkje”. Aan het einde van dit kaarsrechte pad was tot voor kort een filiaal van TNO (onderzoeksinstelling) gevestigd. Alle gebouwen en bestrating zijn verwijderd. Een ceder (naaldboom) is blijven staan.
Rowan hoort voortdurend een zwarte specht roepen. Bij het “witte boswachtershuis”, laat een exemplaar zich even zien. “Kijk daar boven de bomen, die grote zwarte vogel”. Meneer Stoop, een bankier uit Amsterdam wou graag weten, hoe de bodem is opgebouwd. In de negentiende eeuw deed hij een aantal proefboringen. Hij maakte daarbij gebruik van een apparaat, dat werd aangedreven door stoom. Als stille getuige van het onderzoek is midden in het bos, de Kuil van Stoop overgebleven.
Menige kerk heeft de afgelopen twintig jaar een andere bestemming gekregen. Zo ook het religieuze gebouwtje aan de doorgaande weg van Zeist naar Woudenberg. In het De Beauforthuis treden bekende en minder bekende mensen op. De voorstelling van Youp van ’t Hek gaat niet door. De cabaretier dient te herstellen van zijn hartoperatie. In het theatercafé nemen we plaats. Ditmaal is er alleen appelgebak. Zonder slagroom. Want de leverancier van het witte goedje heeft vanmorgen niets afgeleverd. Gelukkig doet de oven/magnetron het wel, zodat we onze tanden niet in een “ijskoude klont” hoeven te zetten.
’s Middags staan er drie terreinen van het Utrechts Landschap op het programma. Het betreft landgoederen, die tussen 1870 en 1920 zijn gesticht. In deze periode kochten mensen met geld voor een appel en ei grote stukken heide op. De heide werd veelal ontgonnen. Op de kale grond werden boompjes geplant. En op een goed bereikbare plaats verscheen een landhuis. Al dan niet voorzien van een koetshuis, orangerie en waterpartijen. De laatste jaren neemt het areaal “woeste grond” (heide en zandverstuivingen) weer toe. Naaldbossen worden bewust gekapt, om de vestiging van rendiermos, buntgras en struikheide mogelijk te maken.
Een picknickbank met uitzicht op dennen en kaal zand is bezet. De volgende zitvoorziening laat op zich wachten. Ons geduld wordt danig op de proef gesteld. Want menige boomstam wordt door de reisleider afgekeurd. Hij vindt, dat we comfortabel moeten kunnen zitten. Bij een kleine waterpartij wordt aan deze voorwaarde voldaan. Bovendien is het een beschutte plek. De met bomen begroeide stuifduinen houden de meeste wind tegen.
Verder maar weer. Richting een wat grotere plas op de heide. Zomer en winter lopen hier Drentse heideschapen. Nabij de kooi komen we een jonge opzichter van het Utrechts Landschap tegen. Vanuit de auto vertelt hij, dat het niet is toegestaan om zonder vergunning groepsactiviteiten op Heidestein uit te voeren. Rowan krijgt geen bekeuring. Wel worden zijn gegevens genoteerd. Vanaf 2016 kan de reisleider alleen nog maar met het juiste papiertje op zak met een groep over de natuurterreinen van het Utrechts Landschap lopen. Gelukkig kent Staatsbosbeheer een vergelijkbare regeling niet. Althans als het om mensen gaat. Het aantal honden is wel aan een maximum gebonden. Met 15 of meer honden (uitlaatservice) door het bos lopen is dus verboden.
De stichter van Heidestein, irrigatiedeskundige Wetstein Pfister, heeft aan het eind van zijn arbeidzame leven kosten noch moeite gespaard, om van zijn lap grond tussen Zeist en Driebergen een “speeltuin voor volwassenen” te maken. In de gloriedagen (rond 1910) kon je op Heidestein golfen, spelevaren en een koel drankje nuttigen. Wij lopen een rondje om de grote vijver. Onderweg komen we door twee tunnels. De eerste is vrij lang. In het midden is het aardedonker. Enkele deelnemers deinzen terug. Niet nodig, want de voorsten nemen, door hun hand uit te steken, de achterhoede op sleeptouw. Zij hebben immers om de bocht het licht gezien.

30-12
Het dorpje Austerlitz hebben we gisteren al even aangedaan, toen we vanuit het theatercafé naar landgoed Noordhout liepen. Vandaag bezoeken we ook het centrum. Via een smal paadje door een sparrenbos en een brede beukenallee bereiken we het hart van de nederzetting, die meer dan 200 jaar geleden in de directe nabijheid van het Franse legerkamp werd gesticht.
In café-restaurant Het Plein gaan we aan de koffie. Met dit keer de keuze uit verschillende soorten gebak.
De naam Austerlitz verwijst naar de plek, waar in 1805 de Driekeizerslag plaatsvond. In de bossen bij Slavkov (Duitse naam: Austerlitz) in Moravië (toen: Oostenrijk, nu: Tsjechië). Napoleon kwam als overwinnaar uit de strijd. Als eerbetoon aan de “grote leider”, liet generaal Marmont een piramide van aarde en heideplaggen opwerpen. Met militaire precisie werd deze klus in nog geen maand geklaard. Nog niet zo lang geleden heeft de Pyramide een opknapbeurt gekregen. Van alle kanten is het “bouwwerk” goed te zien. Een steile trap leidt naar de top. Vanaf daar kun je bij helder weer de Dom van Utrecht zien liggen. Of dit vandaag ook het geval is, kunnen we niet controleren. Het toegangshek zit op slot. Wel stellen we vast, dat het voor een decemberdag lekker weer is. De zon doet flink zijn best. Vandaar, dat we dankbaar gebruik maken van de aanwezige bankjes. Al kauwend en kletsend stellen we vast, dat je als wandelaar c.q. Nederlander minimaal 1x in je leven de Pyramide van Austerlitz gezien dient te hebben.
Op de terugweg naar het hotel kiest Rowan zoveel mogelijk paden uit, die over of vlak langs de heide lopen. Het is de bedoeling, dat hagedissen zich in de zomermaanden op dezelfde manier verplaatsen. Deze dieren mijden hoge begroeiing en schaduw. Om hen en verschillende andere diersoorten te helpen zijn er open verbindingen gemaakt tussen de bestaande heideveldjes.
In Hotel Oud-London zitten we nog even bij elkaar voor een kop soep. We kunnen terugkijken op drie geslaagde dagen. Overdag hebben we heerlijk gewandeld. En gedurende de rest van de tijd hebben we ons laten onderdompelen in de luxe van een viersterren accommodatie.
Bericht geplaatst door Rowan Koster op dinsdag 30 mei 2017


MAASHEGGENTOCHT, 10 en 11 mei 2017

overnachtingsadres: Hotel Riche, in het centrum van Boxmeer

Waar hebben we gewandeld?

dag 1
Vanuit het hotel zijn we naar de Maas gelopen. Net buiten de bebouwde kom van Boxmeer, komen we de eerste meidoornhagen tegen. Tussen de voorzichtig in bloei rakende doornstruiken, staan ook andere soorten, zoals vlier, hazelaar en es. Een paadje langs de rivier brengt ons naar het sluizencomplex van Sambeek.
De zandweg wordt smaller en de hagen aan weerszijden hoger. Af en toe zijn er “gaten in het scherm”, met uitzicht op kleine met boterbloemen bespikkelde weilanden. Bij een poel eten we ons brood op.
Een nachtegaal laat van zich horen. Evenals een tortelduif, verschillende vinken, zwartkoppen en gekraagde roodstaarten.
Op de terugweg doen we opnieuw het sluizencomplex aan. Nabij Boxmeer kan er gekozen worden. Rechtstreeks terug naar het hotel of met een omweg. De lange variant van de wandeling wordt door reisleider Rowan overgoten met een cultureel sausje. Belangrijke ingrediënten zijn: kasteel van Boxmeer, Johannes van Nepomuk en de Heilige Bloedprocessie.

dag 2
Met vier auto’s hebben we de afstand overbrugd tussen Boxmeer en Oeffelt. Als we uitstappen staan we direct in een aantrekkelijk wandelgebied. Met vlakbij de dijk en daarachter de uiterwaarden.
Een graspad kronkelt tussen hoge en lage heggen door. Op de oever van een recent aangelegde plas staan enkele aalscholvers.
De restanten van het “Duits lijntje”, een spoorverbinding tussen Boxtel en het Ruhrgebiet zijn nog duidelijk te zien. In de vorm van een brug, hoge taluds en een voormalig stationsgebouw.
Twee lepelaars zijn zo vriendelijk, om niet op de wieken te gaan. Ze blijven gewoon doorgaan met foerageren in het ondiepe water. Ooit stroomde hier de Maas. Anno nu wordt de oude stroomgeul omgeven door riet en moeras. En wat hogerop groeit bos. Als natuurgebied “De Vilt” is het op de kaart terug te vinden. Het Kerkpad leidt regelrecht naar het centrum van Beugen.
De laatste kilometers gaan over een grindweg. Met aan beide kanten, hoe kan het ook anders, strak geschoren hagen.

Waar hebben we koffie/thee/frisdrank gedronken al dan niet met iets erbij?
Dag 1
Lunchroom De Meerstoel in Sambeek , met uitzicht op de sluis
(specialiteit: grote stroopwafels met vijgen of notenvulling)
Dag 2
Restaurant Het Posthuis in het hart van Beugen nabij de kerk

Tot besluit, hoe was het weer?
Kon bijna niet beter. Woensdag was een zonovergoten dag met weinig wind. Op donderdag was er meer bewolking. Desondanks liep de temperatuur snel op. Tot boven de 20 graden.
Bericht geplaatst door Rowan Koster op dinsdag 23 mei 2017


Teutoburgerwaldtocht (D), 2 t/m 5 april 2017

Waar hebben we overnacht?
In Hotel Zur Post in het centrum van Bad Rothenfelde.

Waar hebben we gewandeld?

zondag 2 april

Als eerste staat een bezoek aan het Kurpark op het programma. Om daar te komen, hoeven we alleen de straat over te steken.
Eenmaal in het park met zicht op “das Alte Gradierwerk”, legt Rowan uit, hoe Bad Rothenfelde aan het predikaat “Kurort” is gekomen. Indrukwekkend zijn de houten stellages. Vanuit de ondergrond wordt zout water opgepompt, dat via sleedoorntakjes naar beneden druppelt. De hoeveelheid zout in de lucht neemt daarbij voortdurend toe. Dit procédé wordt aangeduid met de term “graderen”. We lopen om beide Gradierwerken heen.
In het bos op de “Kleiner Berg” zijn verschillende bloeiende planten te bewonderen. Zoals speenkruid, bosanemoon en bosviooltje. Daslook (in Duitsland Bärlauch genoemd) en Gevlekte aronskelk hebben nog geen bloemen. Wel zijn op tal van plaatsen hun bladeren te zien. Die van de daslook ruiken naar ui.
Honderd meter is het hoogteverschil tussen het centrum van de stad en de Lüdenstein, de heuvel waarop een uitkijktoren staat. Halverwege de helling last reisleider Rowan op het terras van de Bismarckhütte een pauze in. Voor een nieuwe ronde koffie/thee met iets erbij. Wie liever een koel drankje (bijvoorbeeld Rabarbersap) wilt, kan dit ook bestellen. Voor enkele deelnemers is alleen het gebak belangrijk. Indien nodig, spoelen zij met wat water uit hun veldfles de laatste kruimels in hun mond weg.
Het uitzicht vanaf de betonnen toren (op circa 220 meter hoogte) is beperkt. De bomen (o.a. essen, eiken en beuken) rondom zijn in de loop van de tijd steeds hoger geworden.
De terugweg voert over een breed pad, dat voortdurend naar beneden loopt. Aan de rand van Bad Rothenfelde staan we nog even stil bij een statig pand met een toren, ooit het trotse eigendom van dokter Viktor Weidtman.

maandag 3 april

De eigenlijke kam van het Teutoburgerwald strekt zich ten noorden en oosten van Bad Rothenfelde uit. Vandaag en morgen gaan we in dit dunbevolkte en bosrijke gebied wandelen. Met drie auto’s rijden we naar Wellingholzhausen. Op een strategische plek (in het buitengebied enigszins achteraf, maar wel halverwege de wandeling) worden de auto’s gestald.
Al gauw lopen we langs een stroompje, de bovenloop van de Hase, een rivier die bij Meppen (ten oosten van Emmen) in de Eems stroomt. De Hase wordt onderweg gevoed door verschillende bronnen en zijbeken. Zoals de Schwarze Welle en de Blauer See.
De Hase zelf ontspringt nabij een boerderij. De picknickbanken nabij de bron nodigen uit, om te gaan zitten. We eten een deel van ons lunchpakket op, de zogenaamde voorlunch.
Iets na enen bereiken we Eiscafé bei Uschi in het centrum van Wellingholzhausen. Naast heerlijk ijs, kun je hier ook verschillende soorten vers gebak krijgen. Ook de drankjes (koffie, latte macchiato, cappuchino, thee) worden met zorg en toewijding klaargemaakt.
Voorzien van nieuwe energie, kunnen we de beklimming van de Beutling aan. Rowan had het reeds aangekondigd, gedurende een afstand van een kilometer gaan we 100 meter omhoog. Via een deels steile helling. Op de Beutling zelf, op 220 meter hoogte, wacht ons nog een uitdaging. Een toren van 30 meter hoogte, die beklommen kan worden. Boven kan het omringende landschap van alle kanten worden aanschouwd.
Via de Ahornweg dalen we af. Er is nog tijd voor een extra lusje. Drie deelnemers maken van dit aanbod gebruik. De rest van de groep kiest ervoor, om wat eerder in Bad Rothenfelde te zijn.

dinsdag 4 april

Het is opnieuw prachtig weer. De temperatuur in de “Noller Schlucht” loopt snel op. In het bos is het nog koel. Vooral onder de sparrenbomen.
Een korte stijging brengt ons naar de bovenkant van een kalksteenhelling. Daar komen we de beloofde holwortels tegen. In flinke aantallen stofferen deze planten de bosbodem met hun paarse of witte kleuren.
Voor ons vertrouwde “bakkie leut” met “hausgemachte Torte” moeten we even op en neer naar Bad Rothenfelde. Helaas is er op en in de directe omgeving van de Hermannsweg geen café en/of restaurant te vinden, dat op dinsdag geopend is. In Bad Rothenfelde hebben we het wat horeca betreft voor het uitkiezen. Rowan houdt het praktisch; we lopen naar de dichtstbijzijnde Konditorei: Café Strathmann, waar achter glas een grote verscheidenheid aan taarten ligt uitgestald. Het valt nog niet mee, om een keuze te maken….
We stappen in de auto’s en rijden opnieuw naar het “Natuureducatiecentrum Noller Schlucht”. Ditmaal lopen we in oostelijke richting. Over de Hermannsweg naar de 266 meter hoge Steinegge. Wie nog energie over heeft, kan net als op voorgaande dagen, een toren beklimmen. Aan de buitenzijde van een televisietoren is een wenteltrap bevestigd. Deze brengt ons naar een platform. Met wederom een panoramisch uitzicht.
Per tractor is de Steinegge ook bereikbaar. Dat blijkt, als twee mannen op twee keurig onderhouden knalrode tractoren (één daarvan is een Porsche (!)) naar boven komen tuffen. Verder is het bijzonder rustig in de bossen. Op doordeweekse dagen wordt er kennelijk weinig gewandeld in Duitsland.
Gezien het mooie weer en de goede zin van de deelnemers acht de reisleider het verantwoord, om de route met een paar kilometer te verlengen. We stijgen naar de op 307 meter hoogte gelegen heuveltop “Hankenüll”.
Tijdens de terugweg houdt Rowan zoveel mogelijk de bosrand aan. Zon en schaduw wisselen elkaar af. Links ligt het dorp Dissen. En rechts strekken beukenbossen zich uit. Op sommige plaatsen ziet de bodem wit van de bloeiende bosanemonen.

woensdag 5 april

Rondom Bad Rothenfelde zijn niet alleen maar heuvels te vinden. Er zijn ook vlakke gebieden. Met name ten zuiden van de stad.
Alvorens we in Hotel Forstgarten aan de koffie/thee gaan met uiteraard een (flink) stuk gebak erbij, “zigzaggen” wij door het Wellenpark. Onder de bomen komen wij de ons inmiddels vertrouwde planten tegen, zoals bosanemonen, sleutelbloemen, holwortel en goudveil. Dotterbloemen hebben we nog niet eerder waargenomen.
Naast een groot perceel met zonnecollectoren (het “gewas” van de toekomst?), duiken we het bos in. Vanwege het ontbreken van reliëf zijn de paden lang en recht. En goed begaanbaar. Op een enkel modderig stukje na. Bij het verlaten van het bos, last Rowan een pauze in en komen de door ons zelf gesmeerde boterhammen en broodjes tevoorschijn. Tevens gaan er dadels en chocolade rond.
Een nieuw bosgebiedje volgt. Een ree, laat zich goed gadeslaan. Voorzichtig komen we naderbij. Pas na enige tijd, draait het dier zich om en loopt met een rustige gang een zijpad in. Een eindje verderop komen we nogmaals reeën tegen.
Bij de doorgaande weg, de Frankfurter Straβe, is er een keuzemoment. Rechtstreeks of met een omweg naar het hotel. De meeste deelnemers kiezen voor de lange variant van de route. De omweg voert o.a. naar het Palsterkamp, een moerasbosje met populieren, riet, zeggen en dotterbloemen.
In het hotel zitten we nog even bij elkaar voor een bord soep.

En hoe was het weer?
Prima. Tijdens de wandelingen is er geen spat regen gevallen. De zon liet zich veelvuldig zien. Met name op 4 april was het heerlijk om buiten te zijn. Weinig wind en een temperatuur die dicht tegen de twintig graden aan zat. Tijdens de laatste dag stak er in de loop van de ochtend een koude wind op, waardoor de warmte van de zon flink getemperd werd.
Bericht geplaatst door Rowan Koster op maandag 1 mei 2017


Terschellingtocht 6 t/m 9 juni 2016
Vanuit Hotel De Walvisvaarder te Lies

Gedurende ons verblijf op Terschelling hebben we prima wandelweer (aangename temperaturen) gehad. Met name op 6, 7 en 9 juni scheen de zon volop.

Maandag 6 juni
Alvorens we gingen lopen, zijn we eerst op het terras van ons hotel gaan zitten. Voor koffie/thee met “iets erbij”.
Om even na drieën, verlaten we Lies, de duinen van de Koegelwieck liggen voor ons. Via smalle paadjes bereiken we een langgerekte plas: de “Hardriedersplak”. Als er ijs ligt, kan de lokale bevolking zich uitleven, op de beschutte baan worden dan snelle rondes gereden. Wij lopen een stukje over de noordoever. In het ondiepe water weten we enkele “dikkopjes” op te sporen.
Onder de dennen van het Hoornse Bos gaan we verder. Een groep scholieren is met een natuurspeurtocht bezig. Een tijd lang lopen we samen op.
Voor de zeereep, de laatste strook met duinen, liggen natte duinvalleien. Tussen het gras staan honderden ratelaars en echte koekoeksbloemen met hun gele respectievelijk roze bloemen te pronken. Vogels zijn hier ook. Zoals tureluurs en een “blauwe” kiekendief. Als de kijker erbij wordt gepakt, blijkt deze roofvogel toch een “gewone” bruine kiekendief te zijn.
Gelukkig krijgen we de blauwe kiekendief ook te zien. Zowel het mannetje als het vrouwtje laten zich goed gadeslaan. We zijn dan alweer op de terugweg.
Een half uur eerder stonden we op het strand. Met de nodige zandkorrels in de schoenen. Deze waren naar binnen “gestroomd” tijdens de beklimming van een steile duinhelling.

Dinsdag 7 juni
Als je op Terschelling bent, kun je niet om de cranberrie heen. De besjes van deze veenplant worden in tal van producten verwerkt. Zo blijkt als we kort na de start van de wandeling in Formerum de cranberriewinkel bezoeken. In de schappen komen we ondermeer cranberriethee, cranberriezeep en cranberriejam tegen. En voor wie af en toe een paar besjes in zijn of haar mond wil stoppen, zijn er grote zakken met gedroogde vruchtjes.
Verderop in Formerum wijst reisleider Rowan zijn deelnemers op een ander Terschellings fenomeen: stoeppalen. De oudste dateren uit de zeventiende eeuw. Vaak zijn ze fraai bewerkt.
We gaan opnieuw de “ruige natuur” in. Via de Landerumerheide bereiken we het Koreabos met “uitzichtduin”. Wie wil kan naar boven. Om vast te stellen, dat er nog diverse andere hoge zandbulten zijn.
Juni is de maand van de orchideeën. Met name de donkerroze tot paarse bloemen van de gevlekte orchis vallen op. Honderden exemplaren van deze soort staan in volle bloei. Nabij het fietspad, op de overgang van de duinen naar het vlakke polderland.
In de duinen zelf is men druk bezig met de voorbereidingen van het Oerolfestival. Op verschillende plaatsen worden podia ingericht, waar bezoekers naar kunst en/of voorstellingen kunnen kijken.
Ons koffiedrinkadres komt in zicht: de Cranberrieschuur. Het café-restaurant annex informatiecentrum is ondergebracht in een houten gebouw, dat qua omvang en uitstraling veel weg heeft van een Amerikaanse schuur. Wij nemen plaats op het terras en laten ons de koffie/thee met de onvermijdelijke cranberrietaart goed smaken.
De besjes komen uit eigen “tuin”, een ronde open plek in het bos. Wij nemen even een kijkje.
De tweede helft van de wandeling voert naar de Longway (lang recht pad tussen het dorp West-Terschelling en het strand), de tuintjes (akkertjes in de duinen, waarop groenten en fruit worden verbouwd), de “Dodemanskisten” (duinplas) en de Noordsvaarder (strand, duinen, natte valleitjes).
Op een weitje in de zon hebben we heel comfortabel op een stoeltje ons brood kunnen opeten. Met zicht op een broeikas, waarvan de ruiten door een groepje jongedames blinkend schoon worden gemaakt.

Woensdag 8 juni
Per fiets verplaatsen we ons naar het beginpunt van de wandeling: het einde van de Oosterender Badweg, nabij de duinen, het strand en het horeca-adres Heartbreak Hotel.
We lopen een klein stukje het binnenland in en koersen vervolgens in oostelijke richting. Op een weiland lopen kieviten met jongen. Ook horen we de grutto en zien we enkele tureluurs. Bergeenden zijn eveneens van de partij.
Het fietspad houdt op en over een smal paadje gaan we verder. We zijn in het natuurgebied De Boschplaat beland. Rechts strekken zich kwelders uit. Met af en toe een zandbult en met water gevulde kreken. Links hoge duinen.
De stilte overheerst. Ondanks het feit, dat op niet al te grote afstand vele honderden meeuwen en sterns op eieren zitten dan wel hun kroost verzorgen.
Kennelijk houdt iedereen zich aan de regels. Het overgrote deel van de Boschplaat is in het voorjaar en in de voorzomer gesloten voor publiek. Vrijwilligers houden tevens een oogje in het zeil. Wij spreken met een vrouw, die vanaf een hoog gelegen observatiepost van Staatsbosbeheer haar werk doet. Terwijl wij ons lunchpakket aanspreken doet zij verslag. Uiteraard moet je het niet erg vinden, om gedurende lange tijd alleen te zijn. Wat dat betreft heeft zij het makkelijk, haar vriend komt haar regelmatig opzoeken. De vogels bepalen het ritme. Het is geen kantoorbaan van 9 tot 5. En een warme douche nemen is er niet bij. Gewoon met je hoofd onder de koude kraan. Het leeuwendeel van het werk bestaat uit observeren en tellen. En als er mensen voorbijkomen is er meestal wel tijd voor een praatje. Zoals nu.
De terugweg voert over het strand. Iedereen kan in zijn eigen tempo lopen. “Heartbreak Hotel” doemt vanzelf op aan de horizon. Daar gaan we naar binnen voor een warme drank. En een stuk gebak.
De middag is nog niet halverwege als we weer op de fiets stappen. Wie wil, kan mee met een tweede wandeling, die door het oostelijk deel van het Hoornse Bos en een stukje duingebied voert. Het merendeel van de groep sluit zich bij de reisleider aan.
In het bos gaan we op zoek naar de Dennenorchis, een plantensoort die in Nederland erg zeldzaam is, maar juist op Terschelling plaatselijk heel erg algemeen is. Hoe saaier en eentoniger het bos, des te groter de kans, dat de bodem bedekt is met de heldergroene bladeren van de dennenorchis. En in juni zouden er ook bloemen moeten zijn. Dit laatste valt in de praktijk tegen. Hier en daar ontdekken we de eerste groen-witte bloemetjes.
Maar er valt meer te zien. Zoals varens, cranberries (Douwkesplak), duinroosjes èn koffers. In allerlei vormen en kleuren. Opnieuw een verwijzing naar het ophanden zijnde Oerolfestival.

Donderdag 9 juni
Vandaag zoeken we zowel de beslotenheid van het bos als de openheid van de polder op. Net buiten Lies nemen we opnieuw een kijkje bij de Liesingerplak, een ondiepe waterplas. Waar altijd wel een aantal ganzen, eenden en steltlopers aan het foerageren zijn.
Eenmaal in het bos, stuiten we tweemaal op een langgerekte vijver. Het zijn “Turfdôbes”, die gebruikt werden, om de uit Drenthe ingevoerde stukken turf nat te houden. Men had namelijk ontdekt, dat de combinatie van een jong dennetje met een natte turf, de overlevingskansen van de aanplant vergrootte. Inmiddels hebben de dennen indrukwekkende afmetingen gekregen. We passeren de dikste den van Terschelling.
In Formerum nemen we plaats op het zonovergoten terras van De Koffiemolen. Tijd voor koffie/thee. En voor gebak. Wie wil kan -voor de laatste keer- een lekkernij met cranberries uitkiezen.
Tot aan het wad strekt zich een open gebied uit. In het winterhalfjaar wemelt het hier van de ganzen. Nu zijn het vooral de weidevogels, die de aandacht trekken. Tientallen grutto’s laten luidkeels van zich horen, als wij te dicht bij hun jongen dreigen te komen. De prachtig oranje gekleurde mannetjes hoeven zich echter niet zo druk te maken. We springen heus de sloot niet over, om in het hoge gras op zoek te gaan naar de kuikens.
Vanaf de dijk, kunnen we zowel het vogelleven op het water als op het land gadeslaan.
In ons hotel wordt tot besluit, een bord met Mexicaanse bonensoep opgediend. Daarna worden de tassen gepakt en aanvaarden we de terugreis.
Bericht geplaatst door Rowan Koster op dinsdag 28 maart 2017


PEELTOCHT, 3 t/m 5 maart 2017

overnachtingsadres: Oranje Hotel, Meijel

Waar hebben we gewandeld?

dag 1
Vanuit het hotel zijn we in zuidoostelijke richting gelopen. Naar twee in een bosstrook verstopte vaarten. In het verleden zijn deze bevaren door schepen voor de afvoer van turf. Aangezien de grote veenontginners (familie Van de Griendt versus gemeente Deurne), niet wilden samenwerken, moesten beide partijen hun eigen kanaal graven.
De Noordervaart is van wat oudere datum. Napoleon wou een nieuwe verbinding voor de scheepvaart creëren tussen de Schelde en de Rijn. Zijn plan is nooit helemaal voltooid. Bij Beringe houdt de Noordervaart ineens op.
Aan de andere kant van de Noordervaart, ligt ten westen van het dorpje Heibloem, een “stille uithoek”. Stukken bos worden afgewisseld door weilanden en akkers. De laatste jaren is het gebied een stuk natter geworden. Er is een plas aangelegd en de Neerpeelse Beek mag weer kronkelen.
We passeren nogmaals de rotonde (de ophaalbrug over de Noordervaart heeft enige tijd geleden plaats moeten maken) en beginnen met het laatste stukje. We lopen langs boomkwekerijen, zien verschillende lama’s in een weiland staan en snuiven ongewild de penetrante lucht op van een nertsenfokkerij. Net voor het dorp, een vrij grote plas. Op het water zwemmen ondermeer enkele kuifeenden.

dag 2
Het Nationaal Park De Groote Peel staat voor vandaag op het programma. Op de heenweg zullen we tot in de kern van het hoogveengebied doordringen.
Bij de Vossenberg, aan de rand van het reservaat, probeert een bord ons tegen te houden. Vanwege werkzaamheden is De Groote Peel voorlopig afgesloten. Maar het broedseizoen is nog niet begonnen en het is zaterdag. Als het goed is, wordt er vandaag niet gewerkt. Kortom, er zijn verschillende goede argumenten, om toch verder te lopen.
Vrijwel alle paden zijn opgehoogd met een dikke laag zand. We hoeven niet bang te zijn, dat we wegzakken in de modder. Om ons heen is het heel stil. We zijn de enige mensen. Ook de dieren houden zich schuil. Wel zijn er, getuige de vele prenten, eerder op de dag wilde zwijnen voorbij gekomen. Pas in de buurt van het bezoekerscentrum komen we verschillende andere wandelaars tegen.
Vanaf een bankje op een heuveltje kunnen we nog eenmaal terugkijken naar de “lege verte”. Te midden van het okergeel van het pijpestrootje en het zwart-wit van berkenstammetjes liggen blauwe waterplassen.
Aan de andere kant van de doorgaande weg, overheerst het groen van de weilanden. Bij de Eeuwelse Loop zijn langgerekte waterstroken aangelegd. Om in tijden van hevige regenval het water enige tijd vast te houden.
De kerktoren van Meijel, waar wij op afkoersen, is een tijd lang niet meer zichtbaar. De bomen en struiken van een bos belemmeren het uitzicht. In dit bos blijken vakantiewoningen te staan en af en toe wordt hier een motorcrosswedstrijd georganiseerd.
Als de kerktoren opnieuw in zicht komt, is het nog maar 10 minuten lopen naar ons hotel.

dag 3
Met twee auto’s rijden we naar Helenaveen. Ten noorden van dit dorp zijn ook wat hoogveenrestanten overgebleven: de Deurnese Peel en de Mariapeel. Het laatste gebied staat voor vanmiddag op het programma.
Eerst lopen we naar een oude grenspaal. Daarna gaan we op Brabants grondgebied verder. We steken de Helenavaart over en belanden in een bos, waar naaldbomen (larix en douglasspar) de boventoon voeren. Een brede waterloop, wijk genaamd, is niet zo lang geleden weer uitgegraven. Een smal paadje op een zandrug brengt ons naar Helenaveen. Aan de andere kant van het dorp staan hoge bomen met reigernesten. De vogels zelf zijn echter in geen velden of wegen te zien. Via de Aardbeiweg bereiken we opnieuw het dorp, dat genoemd is naar de echtgenote van Jan van de Griendt: Helena Panis.
Donkere wolken pakken zich samen, als we in de Mariapeel zijn. Net voordat we de parkeerplaats bereiken, vallen de eerste druppels naar beneden.

En hoe was het weer?
Heel redelijk. Zeker op zaterdag. Toen was er weinig wind, en kwam de temperatuur ruim boven de 10 graden uit. De laatste dag begon met veel zon. Wel stond er een koude wind. Naarmate de middag vorderde trok de lucht dicht. Vanaf 14.30 uur begon het zachtjes te regenen.
Bericht geplaatst door Rowan Koster op dinsdag 14 maart 2017


Hoge Venentocht (B), donderdag 16 tot en met zondag 19 februari 2017

Familiehotel Drosson in Wirtzfeld fungeerde als uitvalsbasis. We zijn hier op donderdag gastvrij onthaald met koffie/thee en iets lekkers erbij. Ook het avondeten was steeds goed verzorgd. Geen kinderachtige porties. En van goede kwaliteit.

Het weer liet op vrijdag wat te wensen over (mist + verschillende regenbuien). Op de andere dagen hebben we het op -een enkel spatje na- steeds droog gehouden. Op donderdag en op zondag hebben we ook de zon gezien.
De wandelroutes waren redelijk begaanbaar. Op verschillende plekken lag nog sneeuw. Met name in de Hoge Venen. Daar waren door veelvuldige betreding spiegelgladde paden ontstaan. We hadden al snel door, dat we deze “grijze stukken” moesten mijden. Meestal was er aan de zijkanten nog wel ruimte om door de rulle sneeuw (“witte stukken”) te lopen.

De “groep” telde slechts vier personen (3 deelnemers + 1 reisleider). Dit aantal was kleiner dan verwacht. Kort voor vertrek meldden twee personen zich af.

Waar hebben we gewandeld?

dag 1
Vanuit het hotel zijn we naar het dorp Büllingen gelopen. In het centrum van deze plaats hebben we het interieur van de kerk bekeken. Buiten de bebouwde kom, hebben we op een heuvel, nabij een kruisbeeld gepauzeerd. We konden hier van dichtbij twee kruisbekken gadeslaan. Later lukte dat ook bij een groepje goudvinken. We stonden toen reeds aan de boorden van het stuwmeer.

dag 2
Met twee auto’s rijden we naar de parkeerplaats van de herberg Baraque Michel. We bevinden ons hier op circa 675 meter hoogte. Het is mistig als we het veen inlopen. Via een vlonderpad bereiken we het brongebied van het stroompje La Helle. In de herberg kunnen we onze regenkleding uithangen en onszelf tegoed doen aan een warme drank dan wel een bord soep. Rowan en Jannie nemen er ook nog een stuk appeltaart bij.
’s Middags gaan we de andere kant op. Naar het westen. Naar het “Kruis van de Verloofden” en het “Polleurveen”. In een schuilhut eten we ons brood op.

dag 3
Veel bos vandaag. Zeker gedurende het middenstuk van de wandeling. De “Weissen Stein”, het verste punt, blijkt in werkelijkheid grijs te zijn. De steenbrok ligt in een klein hoogveengebiedje. In het dal van de Holzwarche bloeien in april duizenden narcissen. Wij moeten ons vandaag tevreden stellen met de plaatjes op de informatieborden. Wel komen we een wilg met katjes tegen en doet een groep kraanvogels van zich horen. Even later wordt de stilte verstoord door twee bosarbeiders die met een kettingzaag een aantal fijnsparren te lijf gaan.
Op het koffiedrinkadres in Krinkelt, bij een particulier, worden we niet bepaald met open armen ontvangen. We mogen plaatsnemen in een koude en ongezellige kamer. Pas na verloop van tijd worden er twee thermoskannen neergezet. Koekjes en/of gebak ontbreken. Later blijkt, dat de vrouw des huizes geen deel meer uitmaakt van het personeelsbestand van Hotel Drosson. "Uit wraak", heeft de gastvrouw daarom haar gezicht niet laten zien en moest manlief ons "bedienen".

dag 4
De koffiestop wordt ditmaal wel een feestje. Halverwege de wandeling kunnen we in een konditorei in Bütgenbach zelf een taartje uitkiezen. We hebben eerst de noordoever van het stuwmeer gevolgd. In een stuk met open water, zien we drie grote zaagbekken zwemmen. Dichter bij de dam, ervaren we, dat ijs uit zichzelf lawaai kan maken. We horen “droge knallen” en “gebonk”. Tijdens de tweede helft van de wandeling volgen we het stuwmeer op afstand. We gaan nog een stukje omhoog. Aan de rand van een kapvlakte spreken we ons lunchpakket aan.
Bericht geplaatst door Rowan Koster op donderdag 2 maart 2017


Dingletocht, 8 t/m 15 september 2015

Bestemming:
Het zuidwesten van Ierland, district Kerry, schiereiland Dingle.
Dingle wordt geroemd, om zijn gevarieerde kustlijn. Brede stranden, baaien en hoge rotswanden wisselen elkaar voortdurend af. Daarnaast zijn in het landschap nog veel sporen uit het verre verleden (prehistorie, ijzertijd (Kelten) en vroege middeleeuwen (begintijd Christendom)) terug te vinden. Zoals hoge opstaande stenen (al dan niet voorzien van inscripties), aarden wallen, ringforten en kerkruïnes.
Als vingers aan een hand steken in het zuidwesten van Ierland stukken land een heel eind de oceaan in. De meest noordelijke daarvan is Dingle. Het is tevens het langste schiereiland. Vandaar, dat we op dag 3 (wandeling vanuit het Visitor Center in Dunquin naar Ballyferriter) het meest westelijk gelegen puntje van het Europese continent, te weten Dunmore Head, op korte afstand van ons zien liggen. Het begrip continent moet hierbij heel ruim worden opgevat. Namelijk inclusief Noordzee en Ierse Zee.
Het veel bredere Iveragh Peninsula stond de voorgaande jaren op het programma. Tijdens verschillende dagen zien we de hoge bergen van dit schiereiland aan de andere kant van de ruim tien kilometer brede Dingle Bay oprijzen.
In het uiterste westen van Dingle wordt door een deel van de bevolking Iers gesproken. Officieel valt dit stukje Dingle onder de “Gaeltacht” (gebieden in Ierland, waar de Ierse taal een prominente rol (officiële aanduidingen, onderwijs) in de samenleving vervult.
Dingle stad vormt het levendige centrum van het schiereiland. Het ligt aan een natuurlijke haven. Hier komen toeristen en mensen van het platteland samen, om te winkelen en uit eten te gaan.

Waar hebben we geslapen?
Hotel Ceann Sibéal te Ballyferriter (8 t/m 11 september)
Het eerste hotel ligt nabij Smerwick Harbour. Vanuit een aantal kamers, gelegen op de eerste verdieping, heb je rechtstreeks uitzicht op deze baai met zijn brede stranden. Het avondeten hebben we in het als pub ingerichte restaurantgedeelte van het hotel gebruikt. Het was nog niet eenvoudig om de hoge tafels in de juiste opstelling te plaatsen. Pas op de derde avond zaten we gezellig bij elkaar en kon iedereen zonder moeite worden betrokken bij het gesprek.
De maaltijden waren voedzaam en overvloedig en werden vlot opgediend. De wijn en cider smaakten ook goed. Hetgeen niet van de Irish Coffee gezegd kon worden. Mijn maag en die van Liesbeth protesteerden heftig reeds binnen een uur na inname.
Dingle Skellig Hotel aan de zuidrand van Dingle stad (11 t/m 15 september)

Hoe zijn we er gekomen?
Per vliegtuig, van Schiphol naar Cork.
Vervolgens heeft taxichauffeur Gerrit Noordkamp ons in zijn busje naar het eerste hotel gebracht. Onderweg hebben we twee keer gestopt; even buiten Killarney (mooi uitzicht over een meer) en op het brede strand van Inch.
Gerrit Noordkamp, onze welbespraakte chauffeur, woont op het Iveragh Peninsula, in het dorp Sneem, nabij het water van de volgende oceaanarm, de Kenmare River.
Wij ontmoeten hem op de eerste dag op het vliegveld van Cork. Buiten staat zijn nieuwe bus klaar, om ons naar hotel Ceann Sibeál te brengen. Ook op de laatste dag maken we dankbaar gebruik van de diensten van Gerrit, die toen hij meer dan 10 jaar geleden van Nederland naar Ierland verhuisde, het plan had, om een viskwekerij te beginnen. Als gevolg van het uitbreken van de crisis kon Gerrit geen aanspraak meer maken op subsidiegelden vanuit Brussel. In plaats daarvan heeft hij, mede op verzoek van het gemeentebestuur, het bedrijf “The Kerry Experience Tours” opgericht. Een verstandige keuze, want als we Gerrit mogen geloven, vervoert hij jaarlijks honderden mensen. Variërend van vissers, rijke Amerikanen, wandelaars, scholieren tot bejaarden.

Waar hebben we gewandeld?

8 september
Vanuit het hotel (Ceann Sibéal, Ballyferriter) een ronde gelopen. Eerst een klein stukje omhoog, vervolgens afgedaald naar een stroompje. Een smal paadje langs de beek is dichtgegroeid. Daarom via asfalt naar Smerwick Harbour (brede baai ten noorden van Ballyferriter). Voorbij een vakantiekolonie (huisjes) een stuk over het strand gelopen.
Reeds op de eerste dag hebben we nader kennis gemaakt met schelpen, lange slierten zeewier/kelp en duikende jan-van-genten.

9 september
Wandeling vanuit het hotel naar de “historische driehoek”. Het gebied, ten oosten van Smerwick Harbour, waar diverse overblijfselen, in de vorm van ringforten, rechtopstaande stenen en kerkjes, uit de prehistorie en vroeg-christelijke tijd zichtbaar zijn.
Achter de kerk van Ballyferriter hetzelfde landweggetje genomen als gisteren. Deze twee kilometer gevolgd. Via buurtschappen Ballywiheen, Leataoibh Beag, Leataoibh Mór over het Pelgrimspad naar het Gallarus Oratory (kleine gebedsruimte uit circa 1200, gebouwd van op elkaar gestapelde stenen) gelopen. Onderweg pauzeren we in een weiland, met koeiengeloei op de achtergrond. De befaamde koffiestop (met iets erbij!) is op de bovenverdieping van het bezoekerscentrumpje. In een andere ruimte kijken we naar een film, met mooie opnamen vanuit de lucht van ruige kliffen, steencirkels, kilometerslange muurtjes en zware versterkingen.
Lange rechte weg omhoog. Brengt ons bij een versterking (fort) en een kerkruïne. Zelfde weg terug.
Het uitstapje naar de Kilmalkedar Church blijkt toch een behoorlijke wandeling te zijn. Nel moet daarom wat langer in de zon blijven zitten bij het Visitor Center. Op het strand is de groep weer compleet. Op twee kilometer voor Ballyferriter, duiken we het café in, dat direct naast een bierbrouwerij is gelegen. De meesten van ons testen de smaak van het ter plaatse vervaardigde vocht. Het bier komt goed uit de test!

10 september
Een korte taxirit brengt ons naar een ander bezoekerscentrum. Die van de Blasket Eilanden (een groep eilandjes nabij het meest westelijke punt van Dingle/Ierland, tot 1953 bewoond). Het bezoekerscentrum hebben we verder gelaten voor wat het is. Wel hebben we de “haven” (smalle aanlegstrook aan de voet van een steile helling) gezien, van waaruit in de zomer af en toe bij goed weer een veerbootje vertrekt naar Great Blasket Island. Daarna op onze schreden teruggekeerd. Steeds in noordelijke richting gaand, met de oceaan links van ons.
De film Ryan’s Daughter (opgenomen in 1970) speelt zich af op Dingle. Speciaal voor de film is in de buurt van Dunquin een “dorpsschooltje” nagebouwd. Inmiddels verkeert het gebouw in slechte staat. Net als bij veel kerkjes en kloosters ontbreekt het dak. De “tand des tijds” heeft ditmaal wel heel erg snel toegeslagen. Zoals we zelf ter plaatse kunnen vaststellen.
Voor de broodnodige variatie pakken we ook een stukje binnenland mee. Aan de andere kant van de heuvel ligt het plaatsje Clogher. Net voor de eerste huizen een smal paadje tussen hoge bramen en gaspeldoorns door. De snoeischaar van de reisleider komt van pas.
In een luxe “Potteryshop”, komt, zodra we het gebouw betreden, de geur van vers gebak ons tegemoet. We hoeven alleen maar onze neuzen te volgen!
Een zijweg voert naar een strandje. Daarna gaan we langs de kust verder. Over een steeds minder makkelijk begaanbaar pad. De reisleider gaat zelfs op onderzoek uit, om te kijken, of er nog wel een mogelijkheid is, om weer in de bewoonde wereld te komen. Dat kan gelukkig. Maar dan moet er wel een paar keer een hindernis in de vorm van prikkeldraad en hekjes genomen worden. Op een kruispunt kan gekozen worden. Rechtsaf via de kortste route naar het hotel. Of rechtdoor met een omweg via een fort en een stuk strand naar het hotel. De groep splitst zich vervolgens.

11 september
Verplaatsingsdag. Van Ballyferriter naar Dingle stad.
Een dag met veel regen.
Aan het einde van de morgen zijn we naar het centrum van de stad gelopen. Na een korte rondleiding door het centrum valt de groep uiteen.
Iedereen kan op eigen gelegenheid de stad verder verkennen. Er zijn een paar goede lunchadressen, nabij de haven. Wie op zoek is naar Ierse muziek kan in verschillende winkels terecht. De meeste keuze heb je in de kleinste “music shop” van Ierland! Gelegen nabij de grote kerk en voormalig klooster. In dit laatste gebouw zijn fraaie glas-in-loodramen en imposante muurschilderingen te bewonderen.

12 september
De zon laat zich weer geregeld zien vandaag. Als we in Lispole uit de lijnbus stappen, worden we nog even getrakteerd op een bui.
Buiten het dorp komen we op de Dingle Way (gemarkeerde wandelroute) terecht. Deze brengt ons heuvel op en heuvel af naar Minard Castle, een robuuste toren op steenworp afstand van de Dingle Bay (oceaanarm tussen de schiereilanden Dingle en Iveragh).
In Annascaul drinken we koffie in The Southpole Inn. De voormalige eigenaar van dit pand, de heer Tom Crean, heeft rond 1910 aan verschillende antarctische expedities deelgenomen.
Wederom kan er gekozen worden. Tussen direct terug naar het hotel of nog een kleine twee uur lopen door het achterland van Annascaul.
De lopers onder aanvoering van een nog niet geheel herstelde Rowan (maagklachten vanwege de Irish Coffee) volgen een plaatselijke route. Op een plattegrond staat een wandelpad langs een rivier aangegeven. Een leuk alternatief voor de verharde weg.
Althans zo denken we. De praktijk is echter heel anders. Al gauw is er geen sprake meer van een pad. Het water van de rivier heeft hele stukken van de oever weggeslagen. Heel langzaam komen we vooruit. We moeten ons door takken en braamstengels wurmen. En goed opletten, dat we met onze voeten niet wegzakken in de modder.
Een heuveltje biedt ons de mogelijkheid, om weg te komen uit het hobbelige en ruige rivierdal. In het aanpalende veld komen twee paarden aanstormen. Het lukt ons om ze te verjagen, zodat we de kans krijgen, om over een hek te klimmen. En daarmee eindigt onze expeditie. Nog net op tijd. Want de lijnbus naar Dingle stad is in aantocht.

13 september
De regen is helaas teruggekeerd. Gestoken in regenkleding lopen we met een omweg (richting de ingang/uitgang van de baai en vervolgens een stukje omhoog naar de oude weg van Lispole naar Dingle stad) naar de stad. In een kleine pub, drinken we ons moed in. En vullen we met taart onze energievoorraad aan.
Een kaarsrechte weg voert ons de stad uit. Naar 140 meter hoogte. De doorgaande weg wordt overgestoken. Opnieuw een recht stuk. Nu iets omlaag. Voorbij een hek wordt de route onverhard. We zitten in een veenachtig nat gebied. De gestaag neervallende regen doet daar nog een schepje bovenop. We houden dapper vol. Maar bij een splitsing is iedereen het eens. Allemaal kiezen we voor de korte variant. Het asfalt op. Via Garfinny Bridge (oude stenen boogbrug) terug naar het hotel.

14 september
Via de Dingle Way verlaten we de stad ditmaal in westelijke richting. Ons doel is Ventry Bay. Via de kortste weg een afstand van 6 kilometer. Maar zoals gebruikelijk bij UNIEK Voettochten, slaat de reisleider regelmatig een zijweg in. Zo ook vandaag. We pakken voor de “aardigheid” een heuvel mee. Pas voorbij het dorp, komen we op de hoofdweg uit. Hier staat een kerk en een voor Ierse begrippen groot café. Een oud-voetballer is de uitbater van deze horecagelegenheid. De sportman in ruste hebben we niet ontmoet, wel een niet zo heel erg vriendelijke serveerster. En dat terwijl het helemaal niet druk is in de zaak. Maar wellicht is dat een paar uur later wel het geval. Want op het nabijgelegen kerkhof komen wij tijdens het laatste stuk van de wandeling een grote groep mensen tegen.
Op het brede strand is het daarentegen heel rustig.
In een ander café, in het echte centrum van Ventry, wachten wij op de komst van het taxibusje.

15 september
Nog een korte wandeling resteert. Naar de oceaanarm. Via het paadje langs de oude wachttoren en de wat nieuwere vuurtoren. Nabij de ingang/uitgang van Dingle Harbour wordt dolfijn Fungi regelmatig gesignaleerd. Wij houden elke beweging in het water daarom nauwlettend in de gaten. Zeker wanneer twee “excursiebootjes” in beeld verschijnen en langzaam een aantal rondjes draaien. “Ja ik zag iets bewegen, heel even maar!” Is het daadwerkelijk Fungi geweest? De reisleider durft het niet met zekerheid te zeggen.
Wat wel als een paal boven water staat, is dat ons verblijf in Ierland er bijna op zit.
Om 12 uur wordt iedereen geacht, om klaar te staan met zijn koffer en rugzak.
Eenmaal op het vliegveld is er nog tijd voor een uitgebreide gezamenlijke lunch.
Bericht geplaatst door Rowan Koster op vrijdag 26 augustus 2016


COMBITOCHT VELUWE-FLEVOPOLDER, 14 t/m 16 mei 2016 (Pinksteren)
vanuit Best Western Hotel Baars te Harderwijk

De weersverwachting voor het Pinksterweekend belooft niet veel goeds: koud en nat.
Met de regen viel het mee en op lage temperaturen konden we ons kleden. Op zondagmiddag liet de zon zich zelfs geruime tijd zien!

zaterdag 14 mei
De eerste 500 meter wordt afgelegd in de stad Harderwijk. Terwijl we naar de bushalte lopen, ziet reisleider Rowan kans, om enkele bezienswaardigheden mee te pakken. Zoals de grote kerk (sinds 1797 zonder toren) en een stuk stadsmuur. Ook kunnen we een blik werpen op de voormalige Zuiderzee in de vorm van het Wolderwijd.
Net ten noorden van het dorp Putten, stappen we uit de bus. En kunnen we de stilte van het bos gaan opzoeken. Op landgoed Nieuw-Groevenbeek staan her en der verspreid nog wat vakantiewoningen. Daarna houdt de “bewoonde wereld” op.
Een lang recht pad, brengt ons naar een oud beukenbos, waar de flink uit de kluiten gewassen bomen ervoor zorgen, dat er weinig licht op de bodem kan vallen. Ondergroei zoals varens en bosbessen is hier dan ook niet of nauwelijks aanwezig.
Als we het buurtschap Drie naderen, doet de regen zijn best, om ons een nat pak te bezorgen. Hetgeen niet lukt, want restaurant Het Boshuis is niet ver meer. Tijd voor koffie/thee met iets lekkers erbij. Er kan gekozen worden uit cake met bosbessen of uit appeltaart. De cake heeft bescheiden afmetingen, de appeltaart is een maaltijd op zich!
Een heel bijzondere plek op de Veluwe is het Solse Gat. Gelegen in het Speulder- en Sprielderbos, temidden van grote beuken met grillige stammen. In het verleden is hier leem uit de grond gehaald. Het taaie goedje werd gebruikt, om de bodem van beken en vijvers waterdicht te maken. Zodat zoveel mogelijk water voorhanden was, om de molenraderen aan te drijven. We lopen een stukje naar beneden. In de kuil staat een laagje water. Een prima groeiplaats voor het waterdrieblad. Op de terugweg naar Drie, weten we wederom enkele reuzeninsecten op te sporen. Een kunstenaar heeft ze met behulp van een kettingzaag, beitel, rasp en vijl vervaardigd op staande en liggende boomstammen.
Voor de broodnodige afwisseling staat er een stukje Ermelosche Heide op het pro-gramma. De heide is ook als oefenterrein van het leger in gebruik. Vandaag echter niet. Toch is niet bepaald rustig om ons heen. Motorcrossers zorgen ervoor, dat tot 16.00 uur alle andere geluiden worden overstemd.
Bij de schaapskooi, waar de kudde onder leiding van een vrouwelijke schaapherder zojuist is gearriveerd, wordt halt gehouden. Om de dieren te bekijken en om een hapje en een drankje te kunnen nemen. De appeltaart is inmiddels weggezakt. In onze magen is weer plaats voor brood, gedroogde abrikozen en/of chocolade.
Opnieuw bos. Brede zandwegen en smalle paadjes. Donkere sparrenbossen en opstanden met jonge frisgroene bomen. Aan de rand van Ermelo stappen we op de bus.
Terug in Harderwijk leidt Rowan “zijn dames” nog even langs de op één na oudste gingkoboom van Nederland. De boom in kwestie is geplant in de beginjaren van de academie. Boerhaave en Linnaeus waren de bekendste studenten. Zij hebben, al dan niet na betaling van een geldsom, in Harderwijk hun doctorsbul behaald.

zondag 15 mei
Ditmaal verlaten we met vier auto’s de stad. In het buurtschap Leuvenum zetten we onze eerste voetstappen. Twintig kilometer voor de boeg. Wie wil kan een stuk afkorten.
Maar zover is het nog niet. Gezamenlijk lopen we naar de tuin van het “witte kasteel”, waar we in de orangerie zullen worden onthaald op koffie/thee met arretjescake of appelbol. Onderweg steken we meerdere malen een beek over. Aan weerszijden van het stromende water strekt zich een gevarieerd landgoed uit. Bossen worden afgewisseld door weilanden. Die op hun beurt worden omgeven door houtwallen en struweel. Een brede zandweg, de Allee, leidt rechtstreeks naar de “Pauwenburcht”, de bijnaam van het Middeleeuws aandoende slot in het water.
Witte pauwen vormen het symbool van Staverden, wie een beetje oplet komt ze overal tegen. Als decoratie in de vorm van windwijzers, daklijsten, glas-in-loodramen en schilderijen. Maar ook in het echt. Ieder jaar wordt de Commissaris van de Koning in Gelderland voorzien van witte pauwenveren. De vogels zijn gehuisvest in een riant onderkomen. Helaas zijn de meeste heren niet in de stemming om naar buiten te komen. Kennelijk regent het te hard buiten. De enige serieuze bui van vandaag.
De al eerder genoemde Allee brengt ons naar “t Veen”. In opdracht van de familie ’s Jacob werd dit gebied in de eerste helft van de twintigste eeuw ontgonnen. Veenmos en heide maakten plaats voor graslanden. Ook werden er enkele boerderijen gesticht.
Op klaarlichte dag zien we een behoorlijk aantal edelherten door een weiland lopen. Het blijkt een groep hinden te zijn. Aan de rand van het bos, staan nog meer dieren, mannetjes, waarvan verschillende exemplaren met grote geweien. Een opmerkelijke waarneming!
Verder naar het noorden is de ondergrond een stuk droger. Dennenbos, heide en zandverstuivingen nemen de grootste oppervlakte in. Ons doel is het Hulshorster-zand, een groot stuifzandgebied, dat in de toekomst nog groter wordt, er zijn al hele stukken bos gekapt. We lopen door totdat we met onze schoenen op het kale gele zand staan. Vervolgens terug naar de beek. Een lang stuk door het bos.
Niet iedereen legt de lat zo hoog. Ineke, Helma, Elly van Raay en Karen kiezen ervoor, om het stuifzand over te slaan. Zij maken het zich gemakkelijk op een grazig plekje langs een zandweg. En wachten rustig af, totdat Rowan met zijn groepje weer voorbij komt. Eerder op de middag is Elly Hofmann afgehaakt. Zij wacht in Leuvenum op het terras van Hotel-Restaurant “De Zwarte Boer” op haar chauffeur.

maandag 16 mei
Wie het oude centrum van Harderwijk met eigen ogen wil zien, dient om negen uur klaar te staan. Want dan begint de stadswandeling. Reisleider Rowan, met in zijn kielzog vrijwel alle deelnemers, loopt via de Vijhestraat naar de Boulevard. Via de Vischpoort komen we weer in de oude stad. Het is rustig in de winkelstraten, zodat we goed om ons heen kunnen kijken. Hier en daar staan leuke oude huisjes met fraaie gevels. Ook het stadhuis op de Markt is het bekijken waard.
Voordat we op de fiets stappen mag iedereen, voor Best Western Hotel Baars, poseren voor de groepsfoto.
Het waait lang niet meer zo hard als de afgelopen dagen. En de motregen is opgehouden. Prima fietsweer dus. Eerst naar Horst. Daar ligt de –groot uitgevallen- fietspont, die ons over het Nuldernauw naar de zuidkant van Zeewolde brengt.
We laten het dorp voor wat het is. Eerst maar eens koffie drinken. Met iets erbij.
Als we weer buiten staan, schijnt de zon volop.
We nemen afscheid van Helma en Elly van Raay, die voor de korte variant van de fietstocht hebben gekozen. Zij laten zich nogmaals overzetten door de veerboot.
Een aantal andere dames gaat na de wandeling hetzelfde doen.
Te voet maken we een ronde door het Horsterwold, het grootste loofbos op kleigrond van Noordwest-Europa. Om ons heen een muur van groen. In de boomlaag staan heel veel essen en esdoorns. Daaronder veel verschillende soorten struiken. Variërend van wilde liguster en Gelderse roos tot kornoelje en hazelaar.
Ook op de fiets krijgt de groep van Rowan een flink stuk Horsterwold voorgeschoteld. De route voert kilometers lang door het bos. Dan volgt een stuk randmeer (Erkemederstrand). Een tijdlang komt de wind recht van voren. Over de brug en de sluis bereiken we de overkant. We zijn weer op het “oude land”. En we hebben overwegend de wind in de rug.
Rechts de Putterpolder, links het Nuldernauw. Om ons heen wemelt het van de moeras- en weidevogels. We komen ogen tekort. Bij Strand Nulde gaan we een stukje het binnenland in. Langs landgoed Vanenburg en door buurtschap Telgt. De lucht trekt dicht. De temperatuur daalt en de wind is opnieuw wat gedraaid. De laatste loodjes zijn daarom zwaar.
In het hotel kunnen we op adem komen. En genieten van een kop aspergesoep. We hebben het volbracht!
Bericht geplaatst door Rowan Koster op woensdag 25 mei 2016


LINGETOCHT (Gelderland), vanuit Hotel De Schildkamp in Asperen
dinsdag 10 en woensdag 11 mei 2016

Het was volop voorjaar tijdens ons verblijf in Asperen.
Veel appelbomen stonden nog in bloei, menige wegberm was gestoffeerd met het wit van het fluitenkruid en tal van vogels lieten van zich horen. Waaronder de nachtegaal, de tjiftjaf en de koekoek.
De temperaturen overdag waren reeds zomers. Met name op de tweede dag was de lucht strakblauw en kreeg de zon alle ruimte.

Op dinsdag zijn we vanuit Hotel De Schildkamp rechtsaf gegaan. Via een graspad over de dijk wordt het historische hart van Asperen bereikt. Even later komt ook de rivier de Linge in zicht. Reisleider Rowan vertelt ons, dat Asperen in de Middeleeuwen redelijk welvarend was. Het stadje had toen wallen, stadsmuren, poorten en grachten. In de negentiende eeuw werd de Nieuwe Hollandse Waterlinie aangelegd. Vlakbij Asperen verrezen twee forten.
Halverwege Asperen en Acquoy, eten we op een grasveldje pal langs de Linge een paar boterhammen op. Niet veel later, in Acquoy, volgt de echte pauze: koffie/thee met appelgebak. We hebben dan reeds met lichte verbazing de kerktoren aan-schouwd. Wat staat deze scheef. En wat opmerkelijk, dat hier een mevrouw Pisa op het kerkhof ligt.
De Linge keren we een tijdje de rug toe. We gaan een tunneltje door, we lopen een stuk langs een doorgaande weg en we gaan een lange rechte polderweg op.
De Culemborgse Vliet, een gemaal met witte muren en een metalen scheprad en twee dijkhuisjes met rieten daken passeren we alvorens Leerdam in zicht komt.
In een park, aan de voet van de Lingedijk, eten we de laatste boterhammen op. Aangevuld met gedroogde abrikozen en/of chocolade.
Op naar het centrum. Onderweg zien we de glasblazerij liggen.
Gezamenlijk drinken we een glaasje in café-restaurant ’t Veerhuys. Daarna is het nog maar twee kilometer lopen naar het hotel.

Tijdens de eerste helft van de wandeling op woensdag, bevindt de Linge zich steeds aan onze rechterhand. Nu eens heel dichtbij, dan weer wat verder af.
Alvorens we het stadje Heukelum bereiken, lopen we om het Galgenwiel, vangen we een glimp op van enkele sculpturen in de beeldentuin en zien we aan het einde van een oprijlaan een fraai kasteel staan.
In Heukelum slaan we de “bedrijvigheid” op het water gade: een vrachtschip, verschillende pleziervaartuigen en het niet bepaald zachtzinnige liefdesspel van de wilde eend.
Onze wandeling zetten we voort over een smalle dijk. Met aan weerszijden veel fruitbomen en doorkijkjes richting huizen, rietkragen, grienden, bosschages en de rivier. Op een boomstam in het water, zien we zowaar een stel schildpadden. Forse dieren, die genieten van de warmte van de zon.
Wij zoeken juist de (half)schaduw op, als we tussen 12 en half 1 arriveren bij theetuin “De Uitspanning”. Onder de fruitbomen laten we ons de koffie/thee met Heukelumse krakeling goed smaken.
In een vochtig hooiland ontdekt de reisleider een bijzondere plant: het moeraskartelblad. Met lichtpaarse bloemen en diep ingesneden blaadjes.
Het Waterliniepad brengt ons tevens naar een grote waterplas, waar ganzen met hun kroost de aandacht trekken. Asperen is dan niet ver meer. De ruim 60 meter hoge kerktoren steekt reeds boven de bomen uit. We bevinden ons echter nog steeds in nat terrein. Op het smalle paadje worden we met hindernissen geconfronteerd, zoals: brandnetels, boomwortels en modder. Het loopt allemaal goed af.
Op de afgesproken tijd zitten we aan de soep.
Bericht geplaatst door Rowan Koster op maandag 23 mei 2016


HONDSRUGTOCHT (Drenthe), vanuit Hotel De Meulenhoek in Exloo
vrijdag 23 t/m zondag 25 oktober 2015

23 oktober
We zijn amper begonnen met de wandeling als de herder met zijn schaapskudde arriveert. De dieren gaan de kooi in. Hun “werkdag” zit er kennelijk weer op. Wij hebben nog zo’n 16 kilometer voor de boeg.
Op het Molenveld, een vrij groot heideterrein, stoppen we opnieuw. Bij een bankje naast een vliegden. Om een paar boterhammen op te eten. Tevens deelt reisleider Rowan gedroogde abrikozen, ontbijtkoek en chocolade uit.
Langs een breed en modderig bospad staan verschillende paddenstoelen. Niet alle exemplaren zijn op naam te brengen. Over de grote stinkzwam en het kleverig koraal-zwammetje bestaat echter geen twijfel, deze zijn onmiskenbaar.
Als we het tunneltje onder de doorgaande weg (N34) zijn gepasseerd, valt het oog van Rowan op witte “sprietjes”, die in grote hoeveelheden de bodem van een donker eikenbos bedekken. Het blijken linzeknotsjes te zijn. Aldus het grote paddenstoelenboek, dat ’s avonds in het hotel wordt geraadpleegd.
De zon laat zich steeds vaker zien. Het is heerlijk weer om buiten te zitten. Terwijl we wachten op onze bestelling (o.a. warm appelgebak met noten en honingsaus), kunnen we op het aangrenzende veldje de verrichtingen gadeslaan van 2 werkpaarden. Op de juiste manier, dienen ze verschillende boomstammen weg te slepen. Vandaag mogen ze nog fouten maken. Morgen eigenlijk niet meer, want dan vindt er een officiële “bosbouwdressuurwedstrijd” plaats. Naast restaurant Poolshoogte staat op een heuveltje een uitkijktoren. De meesten van ons maken van de gelenheid gebruik, om even boven de boomtoppen uit te kijken.
De terugweg voert overwegend door bos. Onderweg staan we nog even stil bij een oorlogsmonumentje (3 jongens kwamen om in de zomer van 1945 toen zij met munitie speelden) en nemen we plaats op de banken naast de “ijsbaan” voor een eet- en drinkpauze. Een extra lus brengt ons ten slotte naar hunebed D30.

24 oktober
Hoewel de zon zich maar weinig laat zien vandaag, is het prima wandelweer. Temperatuur zo’n 14 graden en weinig wind. Het hunebedcentrum in Borger is ons doel. Om daar te komen, dienen we 9 kilometer te overbruggen. Liever niet meer, want dan zouden we –inclusief de terugweg- boven de “magische grens” van 20 kilometer uitkomen.
Rowan kiest daarom zoveel mogelijk lange rechte bospaden uit. Die kunnen breed zijn en intensief gebruikt, maar ook heel smal en bijna dichtgegroeid. De bospercelen zijn eveneens gevarieerd. Naast vakken met spichtige dennen, zijn er steeds meer stukken met open plekken, waar jonge bomen opslaan.
Midden in het bos, lagen tot voor kort ook een paar akkers. Inmiddels hebben ruigtekruiden (o.a. boerenwormkruid, Canadese guldenroede) en wilgenstruweel bezit genomen van het terrein. In de herfst is hier veel voedsel aanwezig in de vorm van zaden en bessen. Het is dan ook niet verwonderlijk, dat er een groep vogels opvliegt als wij voor korte tijd het hoofdpad verlaten.
Op een kruispunt aan de rand van een heideveld vullen wij eveneens onze “brandstofvoorraad” aan. Want het duurt nog even, voordat we koffie/thee met iets lekkers voorgeschoteld krijgen. Plakken ontbijtkoek, gedroogde abrikozen en blokjes chocolade gaan opnieuw rond.
Borger is niet ver meer. Er is een nieuw wandelpad aangelegd tussen het Kanaal Buinen-Schoonoord en het Hunebedcentrum. Bovendien is er een tunneltje gemaakt onder de doorgaande weg. Zonder oponthoud bereiken we het “archeologisch attractiepark”. Waar het vandaag extra druk is. Want klanten van de Rabobank, regio Zuidoost-Drenthe mogen gratis het museum in. Ook wij als groep profiteren mee. Want de toegangskaarten kunnen meerdere malen gebruikt worden. Deelnemers, die niet in het bezit zijn van een museumkaart nemen tijdelijk de naam aan van een inwoner uit Emmercompascuum. Bovendien staat er een extra beker met koffie of thee voor hen klaar. En zo ondersteunt de Rabobank, zonder dat zij het zelf weet, de uitvoering van de Hondsrugtocht.
Op de afgesproken tijd staat iedereen weer paraat, om met het tweede deel van de wandeling te beginnen. Voordat we “afmarcheren” wordt de groepsfoto gemaakt. Op een toepas-selijke plek: voor het grootste hunebed van Nederland.
De terugweg voert wel door het dorp Borger. Aan de rand van het dorp, bij een recreatieterrein, blijft Wil achter. Zij brengt de rest van de middag op ontspannen wijze door. Reisleider Rowan haalt haar later met zijn auto weer op.
De rest van de groep duikt het bos weer in. Een bankje in de zon aan de rand van een heideveld nodigt uit, om plaats te nemen. De laatste boterhammen van het lunchpakket worden verorberd.
De ondergrond van een jong eikenbosje blijkt bezaaid te zijn met paddenstoelen. Duizenden exemplaren met grijsbruine hoed zijn onlangs uit de bodem omhoog gerezen.
Vlak voor de bebouwing van Exloo plakt Rowan er nog een lusje bij aan. Want rechts ligt, tussen hoge bomen verscholen, een fraaie waterpartij, die iedereen gezien moet hebben.

zondag 25 oktober
Een zonovergoten dag ligt in het verschiet. Vol goede moed gaan we op weg. Naar Odoorn.
In een rechte lijn een afstand van nog geen 4 kilometer. Maar zoals gebruikelijk bij UNIEK Voettochten komen daar door verschillende lussen en slingers enige kilometers bij.
Zo staan we stil bij een hunebed, dienen we om brede modderplassen heen te lopen en stuiten we op een medewerkster van Staatsbosbeheer, die op een quad aan komt rijden. Zij vertelt ons, dat er eerder op de dag een kalfje is geboren en dat we het beste het hoofdpad kunnen aanhouden. Wij volgen haar raad op. En laten de kudde met Schotse Hooglanders links liggen.
In Odoorn strijken we neer bij bakker Joost. Binnen is het heel gezellig. We zitten knus bij elkaar. Op de menukaart prijken zoetigheden met uitnodigende namen. Vrijwel niemand kan de verleiding weerstaan. Dus komen er voor de derde maal dit weekend gebakjes voorbij. Vers uit eigen bakkerij.
Odoorn is een ruim opgezet dorp. Met een brink (grasveld met monumentale eiken), verschillende oude boerderijen, een kerk, waarvan een stuk muur bestaat uit grote veldkeien (mogelijk betreft het de restanten van een hunebed) en een flinke lap bos. Net buiten het dorp ligt het Eppiesbergje, een plek, waar in een grijs verleden mensen van aanzien een laatste rustplek vonden. Na de Middeleeuwen werd op de “bult” een galg geplaatst. Criminelen bungelden, nadat zij hun laatste ademtocht hadden uitgeblazen, nog een tijdlang aan het koord. Als afschrikwekkend voorbeeld.
Op weg naar het Odoornerzand komen we opnieuw door het begrazingsgebied van Staatsbosbeheer. Op ruime afstand zien we enkele runderen staan. Moeder en kalf ontbreken. Bij een picknickbank in de zon wordt halt gehouden. Voor de lunch. Eerst een paar gezonde boterhammen opeten en dan ter afsluiting nog wat lekkers van de reisleider.
Aan de andere kant van de doorgaande weg, ligt achter een strook met bos een heideveldje verstopt. Het paadje slingert tussen tientallen jeneverbessen door. Heuveltje op, heuveltje af. Opnieuw bos. Gevolgd door een langgerekte open strook. Met struikheide en kraaiheide.
Voorbij een wal met vliegdennen, staan we ineens op de grote heide, het Molenveld. Exloo is aan de horizon reeds zichtbaar. Over grasland met -pas op- een drassig gedeelte, lopen we al struinend in een rechte lijn op het dorp af.
In het hotel kunnen we plaatsnemen aan “onze stamtafel”. De soep wordt geserveerd. Reisleider Rowan spreekt zijn groepje nog één keer toe. Tot ziens Exloo, tot ziens Drenthe.
Bericht geplaatst door Rowan Koster op maandag 2 mei 2016


TEUTOBURGERWALDTOCHT(D), 31 maart t/m 3 april 2016
vanuit hotel Zur Post, Bad Rothenfelde

donderdag 31 maart

Hotel Zur Post in het centrum van Bad Rothenfelde is gedurende vier dagen ons verblijfsadres. In de voormalige keuken komen we bijeen. Terwijl iedereen zich te goed doet aan koffie of thee met een stukje gebak erbij, vertelt reisleider Rowan wat we de komende dagen gaan doen.
Als eerste staat een bezoek aan het Kurpark op het programma. Om daar te komen, hoeven we alleen de straat over te steken. Ware het niet, dat het wegdek is opengebroken. Een diep gat en een graafmachine versperren de doorgang.
We dienen daarom een stukje om te lopen. Eenmaal in het park met zicht op “das Alte Gradierwerk”, legt Rowan uit, hoe Bad Rothenfelde aan het predikaat “Kurort” is gekomen. Indrukwekkend zijn de houten stellages. Vanuit de ondergrond wordt zout water opgepompt, dat via sleedoorntakjes naar beneden druppelt. De hoeveelheid zout in de lucht neemt daarbij voortdurend toe. Dit procédé wordt aangeduid met de term “graderen”. We lopen om beide Gradierwerken heen. Achter de Brunnenplatz, in het “Haus des Gästes, nemen we plaats in Café “In Moll”. Voor koffie of thee. Met wederom gebak. In de ruimte naast ons, worden voorbereidingen getroffen voor een modeshow. Net voordat we opstappen, gaat Renate als eerste de “catwalk” op.
In het bos zijn verschillende bloeiende planten te bewonderen. Zoals speenkruid, bosanemoon en longkruid. Daslook (in Duitsland Bärlauch genoemd) en Gevlekte aronskelk hebben nog geen bloemen. Wel zijn op tal van plaatsen hun bladeren te zien. Die van de daslook ruiken naar ui.
Honderd meter is het hoogteverschil tussen het centrum van de stad en de Lüdenstein, de heuvel waarop een uitkijktoren staat. Voor een aantal deelnemers is de helling te lang en te steil. Op 176 meter hoogte buigen zij af en volgen de Ahornweg naar beneden.
De reisleider klimt met zijn groepje door. In een plasje baddert een groot uitgevallen vink. Als de vogel opvliegt, zijn er witte strepen op de vleugels en de staart te zien. Conclusie: we hadden het genoegen om –weliswaar kort- een appelvink te aanschouwen. Het uitzicht vanaf de betonnen toren is beperkt. De bomen rondom zijn in de loop van de tijd steeds hoger geworden. Bovendien is de zon verdwenen achter een dik wolkendek.
De terugweg voert over een breed pad, dat voortdurend naar beneden loopt. Aan de rand van Bad Rothenfelde staan we nog even stil bij een statig pand met een toren, ooit het trotse eigendom van dokter Viktor Weidtman.

vrijdag 1 april

De eigenlijke kam van het Teutoburgerwald strekt zich ten noorden en oosten van Bad Rothenfelde uit. Vandaag en morgen gaan we in dit dunbevolkte en bosrijke gebied wandelen. Met drie auto’s rijden we naar Wellingholzhausen. Op een strategische plek (in het buitengebied enigszins achteraf, maar wel halverwege de wandeling) worden de auto’s gestald.
Al gauw lopen we langs een stroompje, de bovenloop van de Hase, een rivier die bij Meppen (ten oosten van Emmen) in de Eems stroomt. De Hase wordt onderweg gevoed door verschillende bronnen en zijbeken. Zoals de Schwarze Welle en de Blauer See.
De Hase zelf ontspringt nabij een boerderij. Een deel van de groep ziet het water –heel zachtjes- opborrelen. De picknickbanken nabij de bron nodigen uit, om te gaan zitten. In het zonnetje eten we een deel van ons lunchpakket op, de zogenaamde voorlunch.
Om 13.00 uur bereiken we, de groep is inmiddels weer compleet, restaurant Zum Beutling. Binnen is voor ons gedekt. Met koffie of thee en gebak binnen handbereik, kijken we vanuit onze zitplaats over akkers en weilanden en het dorp Wellingholz-hausen.
Francis en met haar nog enkele deelnemers, kiest voor de gemakkelijkste weg. Gewoon afdalen naar het dorp, naar de kerktoren. De rest gaat het juist hogerop zoeken. Vijftig meter om precies te zijn. Via een steile helling. Op de Beutling, op 220 meter hoogte, wacht ons nog een uitdaging. Een toren van 30 meter hoogte, die beklommen kan worden. Boven kan het omringende landschap van alle kanten worden aanschouwd.
Via de Ahornweg dalen we af. Er is nog tijd voor een extra lusje. En een pauze (nalunch). De laatste kilometer voert door een rommelig sparrenbos zonder paden en over een lang graspad.
Alvorens we de weg naar Bad Rothenfelde inslaan, stoppen we eerst nog in Wellingholzhausen, om Francis, Wil en Elly op te halen. Zij hebben eerder op de middag een ijsje gegeten.

zaterdag 2 april

Het is opnieuw prachtig weer. De temperatuur loopt snel op. In het bos is het nog koel. Vooral onder de sparrenbomen.
Een korte maar pittige stijging brengt ons naar de bovenkant van een kalksteenhelling. Voorbij de restanten van een kleine groeve, komen we de beloofde holwortels tegen. In flinke aantallen stofferen zij de bosbodem met hun paarse of witte kleuren.
Reisleider Rowan neemt een voorsprong op de groep, zodat hij mevrouw Paul van het hotel kan opvangen. Zij komt met koffie, heet water en aanverwante zaken naar de Noller Schlucht. Een dienblad met plakken vers gebakken cake behoort ook tot de uitrusting. Op deze manier kunnen we toch genieten van koffie/thee met iets erbij. Want de plaatselijke horeca laat het afweten vandaag. We kunnen nergens terecht.
Gelukkig mogen we later op de dag wel gebruik maken van de toiletten van Waldgasthaus Röwekamp. Om 13.05 uur zijn we ter plaatse. Het is tevens onze lunchplek. In alle rust kunnen we gebruik maken van twee picknicktafels.
Zoals inmiddels gebruikelijk, valt de wandeling uiteen in verschillende deeltrajecten. Er kan weer gekozen worden. Ditmaal tussen een lange pauze of een klim naar de 266 meter hoge Steinegge. Wie nog energie over heeft, kan net als op voorgaande dagen, een toren beklimmen. Aan de buitenzijde van een televisietoren is een wenteltrap bevestigd. Deze brengt ons naar een platform. Met wederom een panoramisch uitzicht.
Rowan draagt de leiding tijdelijk over aan Kerst. Met zijn groepje volgt hij de Hermannsweg. Een bordje meldt, dat de afstand naar de parkeerplaats 2 kilometer is. Rowan gaat weer naar beneden, naar het “gesloten” restaurant, om de dames te vergezellen, die van de zon hebben kunnen genieten. Maar niet van de rust, want die werd regelmatig verstoord door de leden van de lokale schietvereniging.

zondag 3 april

Rondom Bad Rothenfelde zijn niet alleen maar heuvels te vinden. Er zijn ook vlakke gebieden. Met name ten zuiden van de stad.
Alvorens we met ons elven (Jacqueline is reeds vertrokken naar Nederland) aan de koffie/thee gaan met uiteraard een (flink) stuk gebak erbij, “zigzaggen” wij door het Wellenpark. Onder de bomen komen wij de ons inmiddels vertrouwde planten tegen, zoals bosanemonen, sleutelbloemen, holwortel en goudveil. Dotterbloemen hebben we nog niet eerder waargenomen. Hetzelfde geldt voor de eerste bloemetjes (witroze) van de klaverzuring.
Vlakbij de restanten van een oude watermolen waarschuwt een verkeersbord voor overstekende padden. Eind maart/begin april komen deze dieren tevoorschijn. Zij verlaten dan het bos, om naar een nabijgelegen vijver te trekken. Om te voorkomen, dat de padden in grote getale worden doodgereden zijn er schermen geplaatst en zijn om de zoveel meter emmers in de grond gezet. De dieren, die in de emmers vallen, worden door vrijwilligers “bevrijd” en naar een vijver gebracht, waar de vrouwtjes hun eieren –in de vorm van snoeren- afzetten. Gelijktijdig dienen de eieren door de mannetjes bevrucht te worden. De fors gebouwde dames hebben er daarom geen bezwaar tegen als de slankere heren –tijdens de trek- alvast op hun rug klimmen.
In verschillende emmers blijken padden te zitten. Zij wachten met smart op de komst van de dienstdoende vrijwilliger!
Naast een groot perceel met zonnecollectoren (het “gewas” van de toekomst?), duiken we het bos in. Vanwege het ontbreken van reliëf zijn de paden lang en recht. En goed begaanbaar. Op enkele modderige stukken na. Bij het verlaten van het bos, last Rowan een pauze in en komen de door ons zelf gesmeerde boterhammen en broodjes tevoorschijn. Tevens gaan er gedroogde abrikozen, nootjes en chocolade rond.
Bij de doorgaande weg, de Frankfurter Straβe, is er weer een keuzemoment. Rechtstreeks of met een omweg naar het hotel. De omweg voert o.a. naar het Palsterkamp, een moerasbosje met populieren, riet, zeggen en dotterbloemen. Op korte afstand gelegen van het Kurpark.
Aan het einde van das Neue Gradierwerk komen we –zoals afgesproken- de “afhakers” weer tegen, zodat we gezamenlijk via de zonzijde van das Neue Gradierwerk naar het hotel kunnen lopen. Op de “flaneerboulevard” is het gezellig druk. Honderden mensen, jong en oud, genieten van het mooie weer en schuifelen al keuvelend langs de voornaamste “attracties” van Bad Rothenfelde.
In het hotel zitten we nog even bij elkaar voor een bord aardappelsoep.
Bericht geplaatst door Rowan Koster op dinsdag 12 april 2016


HOGE VENENTOCHT(B), 18 t/m 21 februari 2016
vanuit Hotel Drosson te Wirtzfeld (gemeente Büllingen)

donderdag 18 februari
Tussen half twee en twee uur is het (eindelijk) zover, we kunnen beginnen met de eerste wandeling. Het juiste aantal deelnemers is gearriveerd in het hotel, de bagage staat op de kamer en de koffie/thee met verschillende taartpunten is met smaak naar binnen gewerkt.
Niets houdt ons meer tegen, om de eerste stappen in de sneeuw te zetten. Er ligt weliswaar niet zo heel van het witte goedje op de grond. Toch overheerst de kleur wit.
Alleen de asfaltwegen zijn zwart gekleurd.
Voorbij een beekje gaat het gelijk omhoog. Richting een “hoogvlakte”. Vlak voor een klein vliegveldje, gaan we links. Het asfalt houdt op. Een grindweg met wat sneeuwduintjes ligt voor ons.
Beneden ligt Büllingen. Aangezien dit dorp geen “bezienswaardigheden” telt, houdt Rowan de “buitenwijken” aan, zodat we weer snel kunnen genieten van de stilte en vergezichten.
Nabij een splitsing van twee wegen, worden Jezus en Maria vereerd. Twee banken in een flets zonnetje nodigen uit tot een korte pauze. Rowan gaat voor de eerste keer rond met gedroogde abrikozen en chocolade.
Beneden steken we de voormalige spoorlijn over. Rechts van ons stroomt de Warche. Dit sterk meanderende riviertje voorziet samen met tientallen beekjes het stuwmeer van Bütgenbach van water.
Ondanks de vele regen en (natte) sneeuw van de afgelopen weken, heeft het stuwmeer bij lange na nog niet het hoogste peil bereikt. Zoals we even later kunnen constateren, als we een stukje langs de oostoever lopen.
Een vlonderpad leidt ons door het volgende dal, dat van de Wirtzbach. Het hotel is nu niet ver meer. De eerste huizen van Wirtzfeld doemen op.
De mannen in de groep kiezen ervoor, om nog een nog een extra lusje te maken. De dames lopen rechtstreeks naar Hotel Drosson.

vrijdag 19 februari
De lucht is grauw; het sneeuwt een beetje.
Om half tien stappen we in twee auto’s, om de afstand tussen hotel en het wandelgebied te overbruggen. We gaan namelijk naar de kern van het natuurreservaat De Hoge Venen, daar waar op meer dan 650 meter hoogte, een open vochtig gebied ligt. Vroeger liep je hier niet bepaald voor je plezier. Wij hebben het heden ten dage een stuk gemakkelijker. Lange vlonderpaden zorgen ervoor, dat wij niet zomaar wegzakken in het veen.
Echt gemakkelijk hebben wij het overigens ook niet. Een tijd lang moeten wij opboksen tegen de harde wind. Fijne sneeuwvlokken striemen in ons gezicht.
In het restaurant van La Baraque Michel kunnen we weer opwarmen. Terwijl we ons gebak (appeltaart) opeten, is buiten de zon gaan schijnen.
Een prachtige middag volgt. De wind is grotendeels gaan liggen. Het veen en het bos zijn van een verstilde winterse schoonheid. Geen enkele vogel laat zich horen. De sneeuw knerpt onder onze voeten.
Bij de Polleurbeek moeten we ons een weg banen, door de sneeuw en modder. De ondergrond is niet langer hard bevroren. Een eindje verderop kiest Rowan voor de grindweg, die beter begaanbaar is. We staan dan op een uitgestrekte kapvlakte.
Een breed pad brengt ons terug bij de schuilhut, waar we eerder op de dag ons brood hebben opgegeten. Voorbij de hut gaan we via een smal pad omhoog. Hier onder de bomen, ligt nog veel sneeuw. Links in de diepte, stroomt de Polleurbeek. Boomwortels en hoogteverschillen houden ons bij de les. Voorzichtig lopen we in oostelijke richting. In het veen, kunnen we wederom gebruik maken van vlonderpaden.
Het aantal wandelaars neemt toe, een teken, dat we het eindpunt, de parkeerplaats naderen.

zaterdag 20 februari
Het weer in de Hoge Venen is grillig. Een zonovergoten middag, wordt gevolgd door een stormachtige nacht met veel regen.
Ook overdag wil de regen van geen wijken weten. Hetzelfde geldt voor de wind.
Onder zware omstandigheden gaan we op pad. De sneeuw, waarvan we gisteren nog zo genoten hebben, is ons nu tot last. Ons schoeisel wordt –net als onze regenkleding- danig op de proefgesteld. Wie houdt zijn voeten droog?
Aan het begin en aan het einde van de wandeling kunnen we schuilen. In het dorp Krinkelt. Ditmaal niet in een horecagelegenheid. Maar bij Monique, een invalkracht van Hotel Drosson, die zo’n tien jaar geleden, een pension is begonnen. Tijdens de beide pauzes, doen Monique en haar man een boekje open over het reilen en zeilen in de keuken van Hotel Drosson. Het blijkt, dat oma Drosson nog altijd een stevige vinger in de pap heeft, als het gaat om de keuze en de bereiding van het menu.
In het uitgestrekte sparrenbos hebben we minder last van de wind. Een lange asfaltweg voert, geleidelijk omhoog gaand, naar de “Witte Steen”, een grijs rotsblok in een snipper hoogveen. Alvorens we dit “natuurfenomeen” met eigen ogen gaan bekijken, eten we eerst in een schuilhut ons brood op.
Terwijl we afdalen naar het dal van de Holzwarche stopt het met regenen. In het voorjaar fleuren miljoenen narcissen de beide oevers op. Nu zorgen onze regenjassen voor enige kleur in het landschap. Ook een vos valt op, als hij of zij zich verplaatst door het weiland.
De droogte is maar van korte duur. Opnieuw valt er neerslag. In Krinkelt worden we getrakteerd op een warme appelflap. Heerlijk.
Daarna nog een kort stuk. Omlaag. Langs de kerk. En dan eindelijk het hotel.
Al het natte goed wordt uitgespreid. Schoenen worden volgestopt met oude kranten. Zou het lukken, om morgen alles weer droog te hebben?

zondag 21 februari
“De sneeuw is weg”. “En het regent wat minder hard dan gisteren”. Zo luidt de “peptalk” van de reisleider.
En het klopt, de omstandigheden zijn beter dan gisteren. We hoeven niet meer door de prut te lopen. En onder de bomen heb je weinig last van de wind en de regen.
Een ronde om het stuwmeer staat voor vandaag op het programma. Nabij de dam zwemmen verschillende grote zaagbekken in het water. In het centrum van Bütgenbach, we zijn dan al over de helft, gaan we bij een Konditorei naar binnen. Het wordt een klein feestje. Iedereen mag zelf een stuk gebak uitkiezen. Het smaakt allemaal prima.
De regen is nu echt voorbij. We gaan nog een keer omhoog, een sparrenbos in. Links van ons, ligt op enige afstand het stuwmeer.
Op een open plek zien we in de verte het water. We dalen af, volgen een stukje fietspad over de voormalige spoorlijn en bereiken de brug (met groen gekleurd wegdek) over de rivier de Warche.
Henk loopt linea recta naar het hotel. De rest van de groep koerst op een bankje af. Met voor de laatste maal uitzicht op het stuwmeer. Aan de rand van het water ontdekt Rowan een stel wintertalingen (kleine eendjes).
In Hotel Drosson zitten we nog even bij elkaar voor een bord tomatensoep. Het besluit van een avontuurlijke reis naar de hoogste én natste delen van België.
Bericht geplaatst door Rowan Koster op maandag 29 februari 2016


EIFELTOCHT(D), 8 t/m 11 oktober 2015

donderdag 8 oktober
In de Eifel is het volop herfst. Dit blijkt, als we met twee auto’s de eerste hellingen beklimmen. Met name de zoete kersen laten zich van hun mooiste kant zien. De kleur van de bladeren varieert van heldergeel tot rozerood. Iets bescheidener stellen de sleedoorn en de esdoorns zich op.
Eerder op de dag, hebben de reisleider en deelnemer Gerrie in Nijmegen en Venlo in totaal zes passagiers laten instappen. De groep is dus reeds compleet als we de grens met Duitsland passeren. Carpoolen in optima forma! Vanaf nu kunnen we gezamenlijk optrekken. Het verzoek van enkele dames voor een sanitaire stop onderweg, wordt ingewilligd.
Om 13.45 uur zijn we gereed, om op pad te gaan. Reisleider Rowan voert zijn vrouwen als eerste een donker sparrenbos in. Langs het stijgende pad, komen we al snel verschillende paddenstoelen tegen. Waaronder een soort met een helderwitte platte hoed, waarop vaag wat grijze ringen te zien zijn. De steel daarentegen is maar kort. De “handige paddenstoelenwaaier” wordt er bij gehaald. Maar deze biedt geen uitkomst. Hetzelfde geldt voor de encyclopedie, die ’s avonds in het hotel door rowan geraadpleegd wordt. Kennelijk hebben we hier te maken met een soort, die niet in Nederland voorkomt.
Zaadplanten zijn een stuk gemakkelijker te determineren. Zeker wanneer ze (voor de tweede keer) in bloei staan. Tijdens ons verblijf in de Eifel zijn we ondermeer gestuit op: brem, grootbloemige centaurie, zwarte toorts, reuzenbalsemien, thijm, brunel, agrimonie, lupine, geel zonneroosje, herfsttijloos, franjegentiaan en Duitse gentiaan.
Op een kruispunt slaan we linksaf. Het bos maakt plaats voor weilanden en maïsakkers. Aan de rand van het dorp, liggen grote stapels openhaardhout onder een afdak. Bedoeld voor gemeenschappelijk gebruik? Bij een forse walnoot, hoeven we niet te twijfelen. De eigenaar moedigt ons zelfs aan, om wat noten mee te nemen.
In het historische hart van Birgel zijn enkele oude boerderijen blijven staan. Veel huizen zijn aan de onderkant, rondom de ramen en/of de hoeken voorzien van donkerroze banen. Nadere inspectie leert, dat deze bijzondere kleur meestal is aangebracht met verf. Slechts in een enkel geval kon de eigenaar het zich veroorloven, om –puur voor de sier- blokken bont zandsteen te gebruiken.
In de buurt van rivier de Kyll heerst als vanouds weer bedrijvigheid. Stromend water zet raderen in beweging. Deze drijven vervolgens een grote zaag of zware molenstenen aan. Met de opbrengst, planken, mosterd en meel, kun je nuttige en/of lekkere producten maken. Gebak bijvoorbeeld.
Wij nemen plaats in het restaurant van de Historische Wassermühle en bestellen koffie of thee met een flink stuk taart erbij. Het smaakt allemaal prima.
De tweede helft van de wandeling voert door het dal van de Kyll, een klein stukje stroomopwaarts. Vlak naast de rivier ligt een spoorlijn en een doorgaande weg. Nadat we deze laatste zijn overgestoken, gaan we de heuvels in. Op zoek naar herfsttijlozen, een bolgewas, dat lijkt op een krokus. Pas als we het natuurreservaat De Pinnert al bijna uit zijn, ontdekken we tussen het gras enkele bloeiende exemplaren.
De middag vliegt voorbij. Om tijd te winnen, besluit Rowan om een stukje af te snijden via een weiland. Over het gemaaide gras ligt een dun laagje mest. Echter dik genoeg, om onze wandelschoenen te besprenkelen met een kwalijk riekend agrarisch luchtje.
In Hotel Assion wordt een feestje gevierd, want de heer des huizes is 75 jaar geworden. Wij kiezen een “stamtafel” uit en proosten gezamenlijk. Op de jarige, op de mooie wandeling van vandaag en op de wandelingen in de Eifel, die nog gaan komen.

vrijdag 9 oktober
De tweede wandeldag begint met een korte autorit. Via Jünkerath, een langgerekt dorp met diverse winkels (o.a. een Lidl; het is momenteel heel hip, om te spreken over “Laidel”), Niederkyll (grote moderne houtzagerij) en Stadtkyll, bereiken we het Wirfttal. Nabij een jongerenhotel stappen we uit.
De “Panoramaweg” brengt ons opnieuw in Stadtkyll. Met een “ruime boog om de kerk”, lopen we naar het koffiedrinkadres Konditorei Doppelfeld. Onderweg steken we middels een houten brug met overkapping de Kyll over. In het water zoeken twee waterspreeuwen naar voedsel.
Een grazige helling (ditmaal zonder mestlaag) voert ons het rivierdal uit. Via de Wilhelm Tellstraβe betreden we de Middeleeuwse vesting Kronenburg. We klimmen nog even door en eten op de restanten van wat ooit een imposant kasteel was, (een deel van) ons lunchpakket op.
Het kerkje van Kronenburg is gesloten wegens restauratiewerkzaamheden. In het aanpalende restaurant Villa Kronenburg kunnen we wel terecht. Voor een kop koffie of thee. De serveerster van Roemeense afkomst, vindt het heel normaal, dat de reisleider alle consumpties betaalt. Hij is immers de enige heer in het gezelschap (!) Op een tafel langs de muur staan leuke spulletjes uitgestald. Enkele deelnemers kunnen de verleiding niet weerstaan en halen hun portemonnees tevoorschijn. Gerrie koopt voorbeeld een kussen met dienblad, waarop afbeeldingen van honden staan. Mieke besluit, om de rest van de middag in Kronenburg door te brengen. Via de achterdeur van het restaurant verlaten zeven personen de vesting. Negentig meter lager “wurmen” we ons voorzichtig door de smalle toegangsdeur van de Birgidakapel. Binnen wordt duidelijk, dat de naamgeefster van dit achttiende eeuwse gebouwtje de beschermheilige is van de herders. Zij wordt vaak afgebeeld met een koeien- of geitenhoorn in haar hand.
Als we de voormalige spoorlijn/het nieuwe fietspad zijn gepasseerd, komen we in een kleinschalig gebied terecht, met bosjes, struweel, extensief gebruikte weilanden en fraaie doorkijkjes richting Kronenburg.
Voorbij Kerschenbach komen we voor de eerste keer flinke aantallen vliegenzwam-men tegen. De fraaiste exemplaren worden op de foto gezet. Rowan doet twee keer een poging om de route wat in te korten. Zonder resultaat. Menig stippellijntje op de kaart, blijkt in werkelijkheid geen pad meer te zijn. We dienen ons te houden aan de brede boswegen. Ook als deze met heel ruime lussen richting ons doel, de onderdoorgang van de B51, voeren.
Eenmaal voorbij de afslag, komen snel de eerste nieuwbouwhuizen van Stadtkyll in zicht. De beide chauffeurs verlaten de groep, om hun auto op te halen. Als eerste komt Rowan voorrijden. Via Kronenburg, waar Mieke wordt opgepikt, gaat hij naar Birgel. Gerrie overbrugt de afstand naar het hotel rechtstreeks.

zaterdag 10 oktober
Het is nog rustig in de Vulkangarten. Op ons gemak kunnen we hier –in een voormalige groeve- een aantal bijzondere geologische fenomenen aanschouwen. Zoals gebruikelijk in Duitsland staan er diverse borden met tekst en uitleg.
In Steffeln zet de reisleider nog wat puntjes op de i als het gaat, om het tijdstip en de invulling van de koffiepauze. Over een uur komen we terug.
In de tussentijd gaan we naar de ronde kapel boven op de heuvel. Er komt echter een half uur bij. Want op de heenweg bezoeken we de Michaeliskerk en op de terugweg worden we opgehouden door een groepje mensen, dat ons spontaan een glas met vers uitgeperst appelsap aanbiedt. Inmiddels zijn we niet meer de enige wandelaars. Een grote groep Vlamingen trekt door de straten van het dorp. Op weg naar hetzelfde adres: Café-Restaurant Sünnen. De Belgen gaan uitgebreid lunchen en wij houden het op koffie/thee met warme wafel. Nu blijkt eens temeer, dat het handig is, om vooraf te reserveren. Ook op ons is gerekend.
Als we weer buiten zijn, zijn onze magen goed gevuld. De boterhammen blijven voorlopig in de rugzak zitten. Op weg naar het volgende dorp speuren we regelmatig het luchtruim af. “Vliegt daar niet een rode wouw?” “Nee helaas, gewoon een buizerd”. “En daar dan?” “Dat groepje?” Opnieuw buizerds, vergezeld van enkele kraaien.
Voorbij Auel –met beeldje van Johannes van Nepomuk op de brug- slaan we een zandweg in. Links van ons een hellingbos –met heel veel mierenhopen- en rechts vochtige graslanden en wilgenstruweel.
Een mooi stukje Eifel. Vruchtbare landbouwgronden, bossen, bronnen en een kaar-meertje binnen handbereik. Geen wonder, dat een legerofficier in ruste juist hier zijn villa liet bouwen. Vanaf de Romeinse weg Keulen-Trier waren het statige pand en de vele bijgebouwen goed te zien. Archeologen proberen nader inzicht te krijgen in de oppervlakte van de hereboerderij, de ligging en de functie van de opstallen en de algehele bedrijfsvoering. Een meerjarenproject. Een uit houten palen en lemen wanden opgetrokken gebouwtje fungeert als informatiecentrum. We kunnen er ook ongestoord de inhoud van ons lunchpakket aanspreken.
Een indrukwekkende vondst was de kop van een griffioen, vervaardigd van bont zandsteen. Ooit maakte dit monster deel uit van een grafmonument.
Het grootste deel van de wandeling zit erop. Nog circa 5 kilometer te gaan naar de parkeerplaats. Met onderweg verschillende bijzondere natuurverschijnselen. Zoals tweemaal een “Drees” (vulkanische bron) en het Eichholzmaar, het kleinste vulkaanmeer van Duitsland.
De zon komt ook tevoorschijn en werpt zijn gouden stralen op Steffeln. Een warm en kleurrijk besluit van alweer een afwisselende wandeldag.

zondag 11 oktober
Werkelijk zonovergoten is de laatste dag. De dag begint met een lage temperatuur en een hoge luchtvochtigheid. Als we om 10 uur in Dahlem starten met de wandeling heeft de zon al flink aan kracht gewonnen. Nog weer wat later, kunnen de jassen uit.
Een smal pad langs de spoorlijn voert ons het dorp uit. Om daarna enige tijd een stroompje te volgen. Het water zelf krijgen we nauwelijks te zien vanwege de weelderige oeverbegroeiing, bestaande uit ondermeer riet, zeggen en wilgen. Dan een reeks natte hooilandjes met verrassend veel herfsttijlozen.
We slaan af. Geleidelijk omhoog een donker bos in. Gelukkig zijn er ook open plekken. En is de bosbodem hier en daar massaal bezaaid met paddenstoelen.
Bij de Vierherrenstein drinken we koffie of thee. Met een plak ontbijtkoek erbij. In het hotel heeft Rowan een grote thermoskan met koffie laten vullen. En Gerrie heeft net als op andere dagen warm water bij zich. Normaalgesproken vindt deze “ceremonie” in een horecagelegenheid plaats. Vanwege het ontbreken van cafés in het buitengebied van Dahlem heeft de reisleider voor deze optie gekozen. Bovendien staat er later vandaag nog een warme lunch in Restaurant Harmonie op het programma.
Voor die tijd dalen we af naar een hoogveenreservaatje. Met vlonderpad. We gaan echter ook weer omhoog. Vlak voor Dahlem kan er gekozen worden. Tussen rechtstreeks naar het dorp over asfalt of met een omweg over zand. Iedereen kiest voor de meest sportieve optie. Het pad daalt flink. Liesbeth zet voor de laatste keer een stel vliegenzwammen op de foto. Ze blijven het bekijken waard!
In het restaurant krijgen de meesten van ons een groot bord met heerlijke preisoep voorgezet. Wat er naast prei en gehakt nog meer in de soep zit, wordt niet prijsgegeven. Het recept is geheim (!).
Even buiten Dahlem rijden we de grote weg op. Gerrie zet haar passagiers in Venlo af en Rowan rijdt non-stop naar Nijmegen.
Bericht geplaatst door Rowan Koster op dinsdag 8 december 2015


ZEEUWS-VLAANDERENTOCHT; 20 tot en met 22 november 2015

Waar hebben we geslapen?
Hotel Dallinga in Sluiskil. Ons onderkomen ligt op korte afstand van het Kanaal van Gent naar Terneuzen. De kamers van Hotel Dallinga zijn ondergebracht in twee gebouwen, een langwerpig pand van één verdieping hoog en een voormalig klooster. Wij hebben de nachten doorgebracht in het hoofdgebouw. Het langwerpige pand met plat dak en zwartgrijs geverfde buitenmuren. Binnen kom je deze kleur ook veel tegen. Afgewisseld met zilver en wit.
We hebben een plezierig verblijf gehad in Hotel Dallinga.
Sterke troeven zijn: mooi ingericht restaurant, royale porties (zoals grote schalen met patat) en een redelijk uitgebreid ontbijtbuffet. Als het gaat om de verwarming op de kamers en de verlichting, kunnen er nog wat verbeteringen worden doorgevoerd.

Waar hebben we gewandeld?

vrijdag 20 november
Vanuit het centrum van Philippine, zijn we het Smokkelpad gaan volgen. Een rondwandeling, die veelal vlak langs of over verschillende dijken voert. De meeste dijken zijn beplant met populieren. Eenmaal dienen we een dijk dwars over te steken. Een steil klimmetje. Bovendien is de ondergrond (gras plus klei) glad. Iedereen komt boven, desnoods met wat extra hulp. De afdaling is minder moeilijk.
Halverwege de wandeling bereiken we de Nederlands-Belgische grens. Hier komen we de eerste gietijzeren grenspaal tegen. We lopen een ronde over Belgisch grondgebied. Langs het Leopoldkanaal en door een gebiedje met laagstamboomgaarden. In het buurtschap Bouchaterhaven maken we dankbaar gebruik van een gloednieuwe picknickbank. Tijdens de pauze deelt reisleider Rowan chocolade, gedroogde abrikozen én kruidnootjes uit. Sinterklaas is ten slotte weer in het land.
In Philippine aanschouwen we een “Oostenrijker”, een grenspaal (met adelaar en leeuw), die dateert uit de achttiende eeuw. Toendertijd maakte België deel uit van het Habsburgse Rijk.
Aan het einde van de wandeling gaan we bij restaurant De Zwaan naar binnen. Voor koffie /thee met iets lekkers erbij. In dit geval geen Zeeuwse bolussen, maar Vlaamse wafels met slagroom.

zaterdag 21 november
Op dag twee zijn we met dertien mensen (Elly is in Sluiskil gebleven), verdeeld over 3 auto’s, in de stromende regen naar Sint Anna ter Muiden gereden. Bij de kerk (met stoere toren en zeer bescheiden middenschip en koor) van dit beeldschone plaatsje hebben we de auto’s geparkeerd. Vervolgens hebben we ons met enige moeite in de regenkleding gehesen.
Gelukkig klaart het weer snel op. Kort voor Retranchement (voormalig militair bolwerk met wallen, bastions, grachten en standerdmolen), het dorp, waar de koffiestop is gepland, krijgen we nog een hagelbuitje over ons heen.
In restaurant De Parlevinker krijgen we allemaal, op een persoon na (Ans offert zich op), een warme appelbol (met krokant korstje en bruine suiker) voorgeschoteld. Heerlijk!
Tijdens de terugweg is het overwegend droog. We lopen een tijd lang over een fietspad. Met de wind in de rug. Boven ons, strijden donkere wolkenpartijen en stukjes blauwe lucht om de macht. Uiteindelijk ziet de zon steeds meer kans, om met zijn stralen de aarde te bereiken. Als we om 15.00 uur het centrum van Sluis (met het enige belfort (stadhuistoren) van Nederland) bereiken, zijn vrijwel alle wolken opgelost. Niet voor lang, want nog geen uur later zit de lucht weer potdicht en zijn er nieuwe buien in aantocht. In de tussentijd heeft een deel van de groep gebruik gemaakt van de mogelijkheid, om op het gemak nog wat te slenteren door de winkelstraten. De reisleider is samen met de chauffeurs en enkele andere deelnemers naar Sint Anna ter Muiden gelopen. Een extra “lusje” van twee kilometer over de hoofdweg. Nabij het beeld van Van Dale (van de woordenboeken) worden de “dertien kilometerlopers” opgepikt.
Via Aardenburg (ook al zo’n prachtig plaatsje), Waterlandkerkje, Turkeye, IJzendijke en Hoek bereiken we nog net voordat de duisternis invalt, Sluiskil.

zondag 22 november
In het dorpje Overslag worden de auto’s geparkeerd. De helft van de huizen staat in Nederland (gemeente Terneuzen) en de andere helft hoort bij de Belgische gemeente Wachtebeke.
Bij een Oostenrijkse/Nederlandse grenspaal houdt Rowan nog even halt en daarna mogen onze benen in actie komen. Even later blijkt, dat we iets te enthousiast in beweging zijn gekomen. Wil en Jan waren nog niet klaar met fotograferen en hebben ons niet zien vertrekken. Gelukkig is de groep binnen een half uur weer compleet en kunnen alle deelne-mers in een keer op de foto worden gezet.
Donkere wolken pakken zich samen boven de Sint-Elooispolder. Achter ons, boven de kerk van Overslag, schijnt de zon nog uitbundig.
De regenbui die volgt, houdt aan, tot vlak voor Zuiddorpe. De lucht is weer schoongeveegd.
In het dorpscafé Het Gemeentehuis, aan het langgerekte plein met oude lindebomen en nabij de kerk, kan het regengoed opdrogen. Er wordt appelgebak geserveerd en net als gisteren mogen we binnen ons lunchpakket aanspreken.
In dit deel van Zeeuws-Vlaanderen is het landschap wat minder open. Hier en daar komen we zelfs wat bosjes tegen. Dit heeft te maken met de ondergrond. Naast klei, zit er ook veel zand in de bodem. Vandaar, dat er rondom Zuiddorpe naast aardappelen en bieten ook asperges en kerstbomen worden gekweekt.
Onverharde wegen op zandgrond zijn doorgaans wat minder modderig. Na alle regen van de afgelopen weken, merken we weinig verschil. Waar je ook loopt, op klei of op zand, zodra het asfalt ophoudt, wordt het glibberen. En krijgen de schoenen en broekspijpen een heel ander aanzicht.
Vlak voor Overslag, splitst de groep zich in tweeën. Een deel gaat met de reisleider mee, die -in de vorm van een extra lusje- een kleinschalig landbouwgebiedje (met slootjes, knotwilgen en rietkragen) in de aanbieding heeft.
In het hotel zit het “officiële” gedeelte van de Zeeuws-Vlaanderentocht erop. Na de soep keren Martha, Ans en Francis huiswaarts. Elf personen blijven in Sluiskil. Zij kunnen bijkomen van alle “vermoeienissen”, er wordt vandaag niet meer gewandeld.

maandag 23 november
Na een koude nacht (de ruiten van de auto’s moeten eerst schoon worden gekrabd) volgt een zonovergoten dag. De temperatuur loopt snel op.
Net voorbij Sas van Gent, aan de andere kant van het Kanaal van Gent naar Terneuzen, gaan we nogmaals de paden op en de lanen in. Tot 12.30 uur zijn we onderweg. Eerst lopen we naar Westdorpe, een plaats met een brede kreek, een bosje, een transformatorhuisje uit de twintiger jaren, een plaatselijke bierbrouwer, en een café (’t Oude Raedhuis), dat op maandagmorgen gewoon geopend is. Twee dames voorzien ons van koffie/thee en een gebakje van een regionale banketbakker.
In het natuurgebied Canisvliet Kreek, stuiten we op groepen eenden, aalscholvers, ganzen en wulpen. Op het water van het kanaal is het rustig. Er komen geen grote zeeschepen voorbij. De langste draaibrug van Nederland blijft daarom dicht.
Terug bij de parkeerplaats nemen we afscheid van elkaar. En van Zeeuws-Vlaanderen, een verassend stukje Nederland.
Bericht geplaatst door Rowan Koster op vrijdag 4 december 2015


Côte d’Opaletocht (F), 27 t/m 31 juli 2015
vanuit Hotel L’Escale in Escalles

maandag 27 juli
De ochtend en een deel van de middag van deze eerste dag zijn bedoeld, om de afstand tussen Nederland en het noorden van Frankrijk te overbruggen.
De meeste deelnemers kiezen ervoor, om zich te laten vervoeren. Per minibus. Vanuit Nijmegen (drie personen) of Breda (dertien personen). De chauffeurs zijn Sjaak, rijdend in een grote grijze Citroën en ondergetekende, achter het stuur gezeten van een witte Opel met wat meer bescheiden afmetingen. Afgezien van wat oponthoud in Breda (werkzaamheden op en rondom het station) verloopt de reis zonder problemen.
Tijdens de pauze onderweg in wegrestaurant Jabbeke, zijn we Francis reeds tegengekomen. Op de parkeerplaats van hotel L’Escale melden zich na korte tijd ook Margot, Ina, Fennie, Adrie en Nienke aan. De groep is compleet. We kunnen starten met de eerste wandeling.
Tegen de harde wind in lopen we richting de kust, waar Cap Blanc Nez ons uitnodigt, om dichterbij te komen. We dalen echter eerst af naar het strand. Zodat we de zeelucht nog beter kunnen opsnuiven en een goede indruk krijgen van de steil oprijzende kalksteenwanden.
Een duidelijk afgebakend pad voert de helling op. Het zicht vanaf de kaap, 138 meter hoog, is beperkt. Engeland op circa 35 kilometer afstand is niet zichtbaar. De zee is woelig. Menige golf is voorzien van een schuimkop. Het stormt nog net niet. Met enige moeite weten we overeind te blijven. Lydia pakt regelmatig de hand van de reisleider vast. Voor alle zekerheid.
Een eind verderop, we staan dan inmiddels weer beneden op het vlakke asfalt, komt toch een deelnemer ten val. Elianne struikelt over een braamstengel, terwijl zij de bessen van een wollige sneeuwbal fotografeert. Haar gezicht, bril en camera raken beschadigd. Met behulp van gaasjes en pleisters uit de EHBO-doos, dekken we de verwondingen tijdelijk af. Als Elianne over haar grootste schrik heen is, gaan we verder.
Twintig minuten later nemen we plaats in het bargedeelte van restaurant L’Escale.
Buiten schijnt de zon en staan er tafels en stoelen opgesteld, maar de service van de serveersters en obers reikt niet zo ver. Onze drankjes smaken er niet minder om. Bovendien zitten we nu eindelijk op een windstille plek!

dinsdag 28 juli
Na het ontbijt met verse croissants en stokbrood, lopen we, net als gisteren, richting Het Kanaal. En wederom waait het stevig. “The white cliffs of Dover” zijn goed te zien. De witte kalkrotsen lichten helder op in de ochtendzon.
Cap Blanc Nez laten we ditmaal rechts liggen. We buigen af naar links, richting Wissant. In deze badplaats gaan we koffie drinken en lunchen.
Zover is het nog niet. Eerst lekker lopen. Met aan de rechterkant de zee en het strand. Links graanvelden en enkele weilanden. Het pad is breed.
Kort nadat de “falaises” (kliffen) hebben plaatsgemaakt voor duinen, buigen we af naar het strand. Het water is aan het opkomen, dus wordt de strook tussen branding en vaste wal langzaam kleiner. Tevens moeten we letten op het water, dat vanuit het binnenland naar de zee stroomt. Tal van beekjes dienen we over te steken.
Uiteindelijk bereiken de meesten van ons met droge voeten de “boulevard” van Wissant. Enkele deelnemers hebben kans gezien om onderweg nog wat interessante voorwerpen op te rapen. Zoals een brok veen, “zeeschuim” (rugschild van zeekat (inktvissoort)) en de eikapsels van de wulk (schelpdier).
In het centrum van Wissant is de koffiestop gepland. Reisleider Rowan kent een leuk klein, gezellig café, waar ze normaalgesproken ook wat lekkers voor bij de koffie in huis hebben. Op onze komst is echter niet gerekend. Het gebak is pas net in bevroren toestand aangeleverd. Gelukkig blijken beide leiders over improvisatietalent te beschikken. Terwijl Sjaak voor ober speelt, haalt Rowan, samen met Liesbeth, taartjes, chocoladebroodjes en aanverwante zaken op bij de bakker.
Verse producten zijn er ook tijdens de lunch. Nabij een school en een beekje spreidt Rowan zijn “hondenkleedje” uit op het gras. Vervolgens komen uit de grote boodschappentas tal van etenswaren te voorschijn. Ook aan drinken is gedacht. Iedereen kan zelf een beker volschenken met vruchtensap.
We lopen in oostelijke richting het dorp Wissant uit. Voorbij een oude hereboerderij komen we op een smal pad terecht. Bomen en struiken zorgen enige tijd voor schaduw.
Op een kruising valt de groep tijdelijk uiteen. Een deel geniet van een extra pauze. Anderen gaan met Sjaak mee naar de Mont de Couple, een heuvel van 163 meter hoog met weids uitzicht.
Lange grindwegen, die meestal geleidelijk maar af en toe ook wat steiler omhoog gaan voeren ons richting Escalles. Net voordat we de laatste heuvel gaan “beklimmen” last Rowan nog een pauze in. Sjaak ligt languit op het midden van de weg “uit te rusten”. “Als er maar geen auto aankomt!” “Hier op dit verlaten weggetje, wel nee.” ”Sjaak kijk uit, er komt echt een terreinwagen op je af!” “En dat is geen grap.”
Nadat het zwarte voertuig (met Duits nummerbord), zonder slachtoffers te maken, ons gepasseerd is, gaan we kijken wat er achter de kam van de heuvel verborgen ligt.
Het blijkt “ons dorpje” te zijn. Nog slechts 1 kilometer. Omlaag.

woensdag 29 juli
Cap Gris Nez hebben we in de verte reeds zien liggen. Vandaag gaan we er ook echt naar toe. Met een aantal auto’s rijden we naar een parkeerplaats aan de voet van de kaap.
Onderweg zijn er in Wissant lunchinkopen gedaan. Vanwege een markt in het centrum van het dorp, duurde dit wat langer dan verwacht. Het was bijvoorbeeld niet makkelijk, om een parkeerplaats te vinden.
De kaap met de “grijze neus” is weliswaar een stuk lager (50 meter) dan zijn witte broer (138 meter), maar dankzij de vuurtoren toch een markante verschijning. Bovendien is hier de afstand tussen Frankrijk en Engeland het kortst.
Een strategische plek dus. Hetgeen ook blijkt uit de vele bunkers, die de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog hier en in de directe omgeving bouwden.
De naam van de kaap ten slotte, verwijst naar de bruingrijs gekleurde ondergrond.
In zuidelijke richting gaan we verder. Na korte tijd zien we in het water een paar zwarte koppies opduiken. Het blijken zeehonden te zijn. Ze laten zich goed bekijken.
Regelmatig moeten we een kloofje (“cran” genaamd) in. De Cran Mademoiselle is het diepst. Hier mondt een beekje in de zee uit. Naast de traptreden omhoog is in een uitholling een beeldje van Maria geplaatst.
In het onlangs geopende informatiecentrum “Caps et Nature” gaan we in een restaurantje koffie/thee met iets erbij nemen. Althans dat is de bedoeling. De deur van het horecagedeelte blijkt op slot te zijn. Gelukkig zijn er elders in het pand ook toiletten te vinden. Buiten op het terras maken we van de nood een deugd. We gaan eerst lunchen en later in het dorp Audresselles koffie/thee drinken.
Op weg naar de kust, komen we door het bos van Haringzelles. De bomen hier zijn zeventig jaar geleden bewust geplant door de Duitsers. Om de fors bemeten bunkers aan het zicht te onttrekken.
Vanuit Audresselles pakken we de GR (Grande Randonnée) 120 weer op. Vlak langs de zee (het water is inmiddels aan het zakken), lopen we naar het noorden, richting de vuurtoren.
Ook vandaag kan er weer gekozen worden tussen een korte en een lange variant van de wandeling. Sjaak gaat opnieuw het binnenland in, richting het “Duitse Bos”, om vervolgens met een slinger uit te komen bij “La Sirène”, de plek waar de busjes en auto’s staan. Rowan loopt met zijn groep nog een klein stukje door. Naar het buurtschap Cran aux Oeufs.
Zo gezegd zo gedaan. Een bom uit de Tweede Wereldoorlog en een gesloten hotel bij het strand dreigen bovenstaand programma te dwarsbomen. De bom wordt echter veilig tot ontploffing gebracht en in Framezelle blijkt een gezellig terras open te zijn. In de zon kunnen we opnieuw het glas heffen. Eind goed al goed!

donderdag 30 juli
Voor de broodnodige afwisseling, staat er voor vandaag een wandeling door een flink bos gepland.
Maar eerst gaan we een beetje cultuur opsnuiven. In het stadje Guînes. We beginnen bij de kerk en lopen via een krachtige bron naar het centrale plein. Onderweg doet Rowan de geschiedenis van Guînes nader uit de doeken. Een belangrijk moment was het jaar 1520. Toen kwamen net buiten Guînes in een grote prachtig versierde tent de koning van Engeland (Hendrik de VIII) en die van Frankrijk (François I) bijeen, om te bespreken, hoe zij die andere grote Europese leider (“onze” Karel de V), het beste konden dwarsbomen. Guînes lag toen in het grensgebied van Engeland (Calais en omgeving was sinds 1347 in Britse handen), Frankrijk en Vlaanderen.
Aan de rand van het nu nog rustige plein maken we het terras van Café le Duc de Guise in gereedheid. Zodat we op ons gemak in de zon onze koffie of thee met iets erbij kunnen nuttigen. Vanaf onze zitplek, hebben we zicht op verschillende in aanbouw zijnde kermisattracties. Aanstaande zaterdag barst hier het feestgedruis los.
Net als eerder in Wissant regelen Sjaak en ik vrijwel alles. We noteren de bestellingen, serveren de drankjes uit en we kopen zelf koekjes. Het enige wat de bazin van het café hoeft te doen, is het warme goedje in te schenken. Het gezegde “de klant is koning’’, wordt in menig Frans café nauwelijks in de praktijk gebracht.
In het bos van Guînes is het stil. Wel horen we af en toe een trein met grote snelheid voorbij zoeven. Onder de loofbomen is een rijke ondergroei aanwezig. Daar waar het zonlicht niet wordt tegengehouden, zoals op een grote kapvlakte, staan grote aantallen planten in bloei. Ik noem slechts rode ogentroost, jacobskruiskruid, leverkruid en moesdistel. Een parelmoervlinder weet ook even onze aandacht te trekken.
De spullen voor de lunch hebben we in de busjes laten liggen. Want na een eerste ronde door het bos, komen we weer op de parkeerplaats uit. Op het aangrenzende veldje is nog een picknicktafel vrij. Wederom worden tal van boterhammen belegd met donkere of lichtgekleurde plakken kaas, hazelnootpasta of snijworst. Het duurt even, voordat iedereen in voldoende mate is voorzien. Sommige deelnemers kunnen gelijk hun magen vullen. Anderen zijn kennelijk wat te bescheiden en moeten langer wachten. Niemand wordt echter bewust voorgetrokken.
Vlakbij de lunchplek is een obelisk geplaatst ter nagedachtenis aan de eerste ballonvaarders die het Nauw van Calais overstaken. Dit gebeurde in 1785.
Na verloop van tijd, hebben de meesten van ons genoeg van het bos. Rowan komt met goed nieuws: “We gaan ook nog een rondje doen door open terrein.” Minder positief is het bericht, dat de uitgang van het bos nog wat langer op zich laat wachten. De reisleider gaat op verkenning uit. Hij komt terug met de mededeling, dat hij een eind verderop alsnog een begaanbaar pad heeft gevonden, dat naar weilanden en akkers leidt. Helaas voert een deel van de “omleidingsroute” over een kaarsrechte asfaltweg.
Maar ieder nadeel heeft ook weer zo zijn voordeel. Vanaf de rustige weg kunnen we op ons gemak om ons heen kijken. Voor ons, strekt zich het vlakke kustgebied tussen Calais en Dunkerque uit. We zien zelfs een paar grote schepen op zee varen.
Rowan en Sjaak lopen even van de groep weg, om te overleggen. Want de omweg moet gecompenseerd worden. Aan de rand van het bos wordt duidelijk wat de mogelijkheden zijn. Onder de hoede van Sjaak kan alsnog een extra stuk gelopen worden. Naar het pittoreske dorpskerkje van Campagnes-lès-Guînes. Wie aan zijn “tax” zit, kan op het gras of op een bankje alvast bijkomen van de vermoeienissen van de dag. In de tussentijd regelt Rowan het transport. Daarvoor moet hij nog wel te voet terug naar de parkeerplaats.
Het slotdiner pakt voor iedereen verrassend uit. Negen personen weten reeds, dat ze fruits de mer hebben besteld. Maar, wat komt er straks precies op hun bord te liggen? Voor de overige deelnemers geldt, dat zij vanavond meer keuzemogelijkheden hebben. Indien gewenst, kunnen zij gerechten uitkiezen, die staan vermeld onder het “dure menu”.
Als de plateaus met oesters, wulken, alikruiken, mossels, garnalen en een heuse krab op tafel worden neergezet, worden er kreten van verbazing en ontzag geslaagd. Ook tijdens het nuttigen van het zeefruit blijft het rumoerig in het bijzaaltje. “Plastische beschrijvingen” van de inhoud en/of de smaak van de inwendige zachte delen gaan vergezeld van langdurige lachbuien.
Sjaak en ondergetekende hebben weinig ervaring met schaal- en schelpdieren. Het is voor ons en waarschijnlijk ook voor verschillende andere deelnemers links van mij een nieuw culinair avontuur. Karen weet echter van wanten en is zo vriendelijk, om voor mij de poten van de krab te kraken.

vrijdag 31 juli
Op de parkeerplaats van het hotel nemen we afscheid van Nienke en Adrie. Zij keren vandaag nog niet terug naar Nederland. Integendeel, zij verlengen hun vakantie in Frankrijk met een week. Ze zakken verder af naar het zuiden, naar de Dordogne.
Na een korte rit, starten we met 22 personen bij het kerkje van Tardinghen. Nog één keer gaan we direct langs de zee lopen. Met uitzicht op de beide kapen en Engeland.
Voordat we op het strand staan, hebben we een afstand van circa 6 kilometer te overbruggen. We beginnen heel gewoontjes. Op asfalt. En kort daarna lopen we een lange gloednieuwe betonweg af. Een breed graspad voert ons tussen gaspeldoorns, duindoorns, bramen en andere prikkelstruiken door een heuvel op.
Rechts van ons de eerste huizen van Wissant. In het centrum, nabij de kerk, drinken we koffie of thee op een vertrouwd adres, “Capscafé”. Met ditmaal gebak van het huis.
Nog niet alles van het dorp hebben we gezien. Er is een wijkje, waar mooie vakantiewoningen tussen het groen staan.
Direct buiten Wissant begint een smalle duinenrij. Aan de landzijde ligt een langgerekt moeras. In het plasje voor de vogelkijkhut staan vier kleine zilverreigers. Door mul zand “strompelen” we verder richting Cap Gris Nez. Op het strand komen we wat gemakkelijker vooruit. Tussen twee hoge duinen begint een paadje, dat rechtstreeks naar Tardinghen lijkt te lopen. We koersen naar de kerktoren.
Vijvers en rietvelden dwingen ons, om rechtsaf te slaan. Een breed graspad op.
Als we twee waterlopen zijn gepasseerd, komen we op asfalt terecht. Een boerderij, een bocht en dan de parkeerplaats. We hebben het volbracht.
In het restaurant van het hotel kunnen we genieten van een bord soep, gevolgd door een omelet met patat.
Om 14.45 uur kan de terugreis aanvaard worden. Na een kleine twee uur rijden, kunnen in de buurt van Lokeren, de benen even gestrekt worden. Twintig kilometer voor Antwerpen kondigt een bord aan, dat er een lange file op de Ring staat. Rowan besluit, om via de Liefkenshoektunnel te rijden. Waarschijnlijk is dit een goede beslissing geweest. Want afgezien van het traject, dat door de dorpen Haasdonk, Beveren en Melsele voert, kunnen we flink doorrijden. Het station van Breda wordt om 18.45 uur bereikt en om 20.15 uur zijn we bij de Nijmeegse vestiging van AutoRent Midden-Gelderland.
Bericht geplaatst door Rowan Koster op zaterdag 8 augustus 2015


MAASHEGGENTOCHT, 8 t/m 10 mei 2015
vanuit Hotel Riche in Boxmeer

vrijdag 8 mei
UNIEK Voettochten is een kleine wandelreisorganisatie. Normaalgesproken verplaatsen wij ons te voet, in een rustig tempo, door mooie landschappen. Onze actieradius is dan beperkt tot maximaal 20 kilometer. Als je een wat groter gebied (lees: Nationaal Park De Maasduinen) in één dag wilt leren kennen, kun je het beste op de fiets stappen.
Op de parkeerplaats van het hotel hebben we alle ruimte om de fietsen uit te testen. Zit het zadel op de juiste hoogte? Hoe werken de versnellingen?
Achter het voormalige ziekenhuis, komen we de eerste hoge hagen tegen. Even later komt ook de Maas met de stuw van Sambeek in zicht. De pont brengt ons naar de overkant. We zijn in Limburg, in het dorp Afferden.
Voorbij de laatste huizen houdt het asfalt op. Over een zandweg gaan we verder. Reisleider Rowan legt uit, hoe het gebied De Maasduinen aan zijn naam is gekomen. Gedurende de laatste ijstijd is er met de wind vanuit het brede Maasdal veel zand aangevoerd. Dit zand werd in de vorm van langgerekte ruggen neergelegd. Nu zijn deze “duinen” met bos (rechts) of met heide (links) begroeit.
Aan het einde van een laan met Amerikaanse eiken duikt ruïne Bleijenbeek op. Een bord vertelt ons, dat de restanten van het ooit zo imposante kasteel geconsolideerd zullen worden. De vleermuizen en steenuilen raken hun behuizing dus niet kwijt.
Het wordt tijd om te gaan lunchen. Rowan weet een leuk plekje. Op een heuveltje met uitzicht op het Elfenmeer.
De koffiestop is in het buurtschap Wellsche Hut. Om daar te komen, fietsen we langs de rand van Nieuw-Bergen. Vervolgens gaan we pal naar het oosten. Over een fietspad langs een lange rechte zandweg. Links zijn ondermeer waterplassen en uit productie genomen weilanden en akkers te zien.
Midden in het Nationaal Park ligt het Reindersmeer, een grote voormalige zandwinplas. We stappen even af, om de grote watervlakte goed te kunnen aanschouwen.
Well, Aijen en Bergen passeren we. Het dorp Vierlingsbeek bereiken we door opnieuw met een pont de Maas over te steken.
Zandweggetjes en bochtige fietspaden voeren door het Maasheggenreservaat. Morgen gaan we hier ook wandelen.
Achter een stel hoge hagen doemt ineens de stuw van Sambeek op. Hotel Riche in Boxmeer is nu niet ver meer.

zaterdag 9 mei
Alvorens we ons tussen de hagen begeven, doen we eerst een rondje Oud-Boxmeer. Rowan houdt daarbij de route van de Bloedprocessie aan. Deze start bij de basiliek. Het gebouw ziet er groots, indrukwekkend en oud uit. Toch is het niet veel ouder dan 60 jaar. De vorige kerk is in de Tweede Wereldoorlog volledig verwoest.
Ook het huidige aanzicht van het kasteel van Boxmeer dateert grotendeels uit de tweede helft van de twintigste eeuw. Aan de linkerkant is gelukkig een fraaie gevel in Lodewijk de XVI stijl bewaard gebleven. En de Nepomukkapel aan het begin van de oprijlaan naar het kasteel, ziet er eveneens nog authentiek uit.
De Maas is op veel plaatsen rechtgetrokken, zo ook tussen Boxmeer en Gennep. Er kwam een nieuwe brug en de veerpont verdween. Wel loopt er nog steeds een Veerweg naar de rivier. Via deze brede zandweg bereiken we de Maas.
Al gauw komen we bij het beginpunt van de afsnijding. Nog steeds is aan de overkant een stuk van de oorspronkelijke loop van de rivier te zien.
Aan onze zijde beheersen hoge heggen het beeld. Langzaam maar zeker raken meer meidoorns in bloei.
Bij een gloednieuwe picknickbank, te midden van jonge lijnvormig aangeplante struiken, keren we de rivier tijdelijk de rug toe.
In Sambeek sluiten immers vier deelnemers zich bij de groep aan.
Als de Maas opnieuw in zicht komt, is het tijd voor koffie/thee met vlaai.
Vanaf het enigszins winderige terras, zien we verschillende schepen de sluis in- en uitvaren. Boven onze hoofden scheren steeds een aantal huiszwaluwen voorbij. Hun nesten bevinden zich vlakbij. Aan de buitenkant van een huis, vlak onder de dakgoot.
Bij een poel met bankje is de volgende pauze. We eten ons brood op en reisleider Rowan gaat rond met gedroogde abrikozen en chocolade.
We vervolgen onze weg door het heggenreservaat van Staatsbosbeheer. Het is een kleinschalig gebied. Vrijwel ieder perceel wordt aan vier kanten omgeven door een groen scherm. Zelfs de doorgaande zandwegen zitten goed ingepakt met groen. Slechts op enkele plaatsen kunnen we wat verder om ons heen kijken.
Het contrast met moderne akkers en weilanden is groot. Deze zijn strak en kaal. Met als logisch gevolg, dat de wind vrij spel heeft. In de beschutting van een bosje moeten we zowaar nog een stukje klimmen. Het pad volgt een hoge zandwal. Daarna passeren we enkele draaihekjes en staan we ineens weer op een brede zandweg.
Het landschap wordt wat opener; de brede kerktoren van Sambeek komt in beeld.
Nog een klein uur te gaan. Het terras van hotel Riche lonkt.
Wie nog wat eerder een glas bier of fris wil bestellen, kan met Irmgard meegaan. Haar auto staat immers op het plein in Sambeek.
Reisleider Rowan zorgt ervoor, dat ook de overige voertuigen en de bagage van drie deelnemers op de juiste plaats terechtkomen. Zijn vouwfiets komt daarbij goed van pas!

zondag 10 mei
Ook op de laatste dag, voert een flink deel van de route langs meidoornhagen.
De warmte van de zon doet wonderen. Naarmate de dag vordert, tooit de ene na de andere struik zich in witte feestkledij. Voor deze bloemenpracht zijn we gekomen. Een weldaad voor onze ogen en neus!
De uiterwaarden tussen Beugen en Oeffelt hebben nog meer verrassingen voor ons in petto. Zoals de restanten van een spoorlijn, enkele bunkers (waarvan 1 exemplaar in het kader van een “kunstproject” is voorzien van een voordeur) en een recent aangelegde waterpartij.
De koffiestop laat dit keer niet lang op zich wachten. Ruim voor de middag strijken we neer op het terras van café-restaurant Het Veerhuis. Met een stuk taart of Maasheggenkoek binnen handbereik, kijken we naar de rivier en de schepen die voorbijkomen. Het lijkt erop, dat de Maas een weinig gebruikt vaarwater is. Deelnemer Eric vraagt zich zelfs hardop af,of er wel eens vrachtschepen over dit stuk van de rivier varen. Het antwoord laat niet lang op zich wachten. Binnen de kortste keren doemt in de verte een “grote jongen” op. Met in zijn kielzog een aantal collega’s. Het tracé van de “Duitse lijn” is op verschillende plaatsen nog goed te zien. Ook is één van de stationsgebouwen van Oeffelt goed bewaard gebleven. Als links een breed water in zicht komt, verlaten we de spoorlijn.
Boven de plas vliegen enkele visdiefjes. Ook een stel ooievaars trekt onze aandacht.
Vanaf een picknickbank, die dient als pauze- en ontmoetingsplek voor boeren, burgers en buitenlui, kunnen we de hoog op de poten staande vogels mooi gadeslaan.
Het natuurgebied De Vilt is heel gevarieerd. Houtopstanden worden afgewisseld met open terrein. Open water, stroken met riet en moerasbosjes beslaan een flinke oppervlakte. Niet verwonderlijk,want ooit stroomde hier de Maas.
Vandaag worden alle moeders in het zonnetje gezet. Het is tevens de tweede dag van het Nationale Molenweekend. De deuren van de molen van Beugen staan wagenwijd open. Wie wil, kan mee naar boven. Om te zien, hoe met behulp van de wind het graan wordt gemalen. Dan moet het wel waaien natuurlijk. Gelukkig komen na een korte onderbreking de wieken weer in beweging.
Wij begeven ons nog eenmaal tussen de bloeiende meidoornhagen. Vlak na het “strijdtoneel” van de jaarlijkse vlechtheggenkampioenschappen, komt de parkeer-plaats in zicht.
De Maasheggentocht wordt afgesloten op het terras van hotel Riche. We mogen plaatsnemen onder een grote parasol. Het personeel verzorgt ons goed. Met soep en een complete broodmaaltijd. Terwijl we onze magen vullen, kijken we nog eens met verbazing naar de ingang van de disco. Dat in dit onopvallende pand zoveel lawaai kan worden geproduceerd! Het heeft een deel van de groep uit de slaap gehouden. Erg jammer. Behoudens de herrie van de buren, was het goed toeven in Boxmeer. En hebben we bijzonder genoten van de fraaie omgeving.
Bericht geplaatst door Rowan Koster op vrijdag 7 augustus 2015


TERSCHELLINGTOCHT 12 t/m 15 maart 2015
vanuit Hotel De Walvisvaarder te Lies

Donderdag 12 maart
Rien:
‘Niet te lang op je kamer blijven, we gaan direct op pad’. Rowan laat geen moment verloren gaan om alle deelnemers die om kwart voor twee in Lies uit de bus zijn gestapt in de actiestand te krijgen. Lopen willen we, want het is prachtig weer en iets ten noorden van hotel De Walvisvaarder lonkt de Noordzee. Met een breed en totaal verlaten strand. Terschelling is sowieso erg rustig, zo vroeg in het jaar.
Een klein uurtje na aankomst staat de groep inderdaad klaar voor vertrek. Kopje koffie gehad en de koffers zijn op de kamers gestald. Door het grote aantal deelnemers (28) is er keuze uit twee routes; Rowan doet de kortere en Rien de langere, over het strand. Vanuit het hotel lopen we noordwaarts, via de schuur van Staatsbosbeheer naar het Liesingerplak, een eerste turfdôbe, langs het Formerumerbos (klemtoon op de eerste e) over natuurgebied de Koegelwieck naar het strand. Bij Kaap Hoorn keren we, na onze eerste cranberries en andere versnaperingen, terug via het Hoornsebos, naar het Hêdredersplak, één van de vele schaatsbaantjes in de duinen. Dan beklimmen we de ruim 20 meter hoge Koegelwieck en dwalen via schapenpaadjes (of liever: Hollandse Landgeitenpaadjes) terug naar Lies. De eerste kilometers van deze vierdaagse zitten erop en de voetjes kunnen omhoog rondom de heerlijke open haard in De Walvisvaarder.
Rowan:
Met mijn groepje hebben we eerst de beslotenheid van het Hoornsebos opgezocht. Nog voor de eerste duinenrij, zijn we linksaf gegaan, een breed zandpad op, tussen natte duinvalleien door. Vanaf een hoge duintop kunnen ook wij het brede strand en de Noordzee aanschouwen.
Een greep uit de bijzondere waarnemingen van vandaag:
Cranberriestruiken, Hollandse Landgeiten, een lint van wandelaars in de verte, volledig onder water staande paden, enkele Belgische (werk)paarden.
Rien:
’s Avonds is het smullen van zalm en heerlijke spinazie, en ook het saladebuffet valt in de smaak.
Rowan:
Ook voor mensen, die normaalgesproken niets moeten hebben van “groenvoer”, viel er voldoende te kiezen (o.a. olijven, pesto, kaasjes, haring etc.).

Vrijdag 13 maart
Rien:
Ondanks de omineuze datum en de 19 kilometer voor de boeg staat iedereen ’s ochtends vóór negenen goedgemutst bij de bushalte voor het hotel. Het is een graadje of vier, maar de zon gaat vandaag zijn best doen, dat ziet iedereen. De bus spuugt iedereen om half tien in West-Terschelling de straat op en we zoeken snel de luwte op in de straatjes van West. Vandaag gaan we tegen de koude bries in teruglopen van West naar Lies. Na de straatjes van West met een stop bij de Brandaris snijden we noordwaarts tussen het Kaaps- en het Seinpaalduin door, waar winterpostelein langs de paden groeit. Dan moet er weer een keuze worden gemaakt: Rowan loopt een kortere lus over het Groene Strand en de groep van Rien gaat om het hele Groene Strand heen. Daardoor is Rowan eerder bij de cranberrytaart in De Walvis, etablissement met het mooiste uitzicht van Terschelling: je kijkt zo op het Vlie, Vlieland en de Noordsvaarder.
Na de stop en na de Doodemanskisten lopen we een tijd beschut in de bossen rond West. Op de Longway (to Tipperary) loopt de iets snellere groep van Rien die van Rowan achterop, maar inhalen doen we elkaar niet vandaag. Achter de Amerikaanse schuur bij het Studentenplak stoppen we voor de lunch en de zon warmt iedereen weer lekker op. Als we bij de Kooibosjes het duin over komen hebben we magistraal uitzicht op de Terschellinger polder, Midsland en onze eerste Galloways. De wind is nu pal tegen, en koud. Langs het Koreabos en de Landerumerheide (yes! een vroege roodborsttapuit!) bereiken we De Rustende Jager voor een extra bakkie leut op het terras, tot de zon ons daar in de steek laat. Relaxed doen we de laatste kilometers van Formerum naar Lies. De open haard verdringt de kou weer uit de botten, of anders wel een warme douche. Het varkenshaasje met tuinboontjes zijn een wat droge combinatie, dus daar maken we melding van. De saladebar is inmiddels al beroemd vanwege zijn kwaliteit en de elke dag andere salades en tapas.
Rowan:
Ook wij hebben in de zon en uit de wind kunnen pauzeren. Het was even zoeken naar een bankje. Uiteindelijk konden we ons neervlijen op een houten zitting of het zachte gras. Met uitzicht op kabbelende golfjes van de ijsbaan van Midsland. En achter ons de ruisende dennen van het Koreabos. Eerder op de dag, langs de Longway, hadden we reeds het grootste deel van de inhoud van onze lunchpakketten aangesproken.
Tijdens de laatste etappe van vandaag, zijn we bij de cranberriewinkel naar binnen gegaan. In alle rust konden we een keuze maken uit het ruime assortiment. Pas na wat extra rumoer van onze kant, verscheen er een medewerker. De dame in kwestie, sloeg met zichtbare tevredenheid alle producten aan op de kassa. In korte tijd nam de dagopbrengst flink toe. Als dank voor de goede klandizie werden we getrakteerd op koekjes.
Een greep uit de bijzondere waarnemingen van vandaag:
stoeppalen in verschillende soorten en maten, een plaquette ter ere van de grote sponsor van de bouw van de Brandaris: de stad Kampen, bloeiende gaspeldoorns, (moes)tuintjes in de duinen, tuinen vol met witte en paarse krokussen, een reeds bloeiend exemplaar van fluitenkruid.

Zaterdag 14 maart
Rien:
Het is koud (opnieuw een graadje of vier) en voor de eerste keer deze week laat de zon het afweten als we ’s morgens naar Heartbreak Hotel fietsen. De koffie met gebak gaan goed samen met Elvis op de achtergrond.
De groep van Rien vertrekt als eerste voor de langere wandeling over de Boschplaat. Na noord en west is vandaag het oosten van het eiland aan de beurt. De oostenwind jaagt ongenadig in onze gezichten en op de Boschplaat is nul beschutting. Het paadje naar de Tweede Duintjes staat blank dus die weg is echt niet te doen, hoewel het vandaag nog mag en morgen niet meer, vanwege de start van het broedseizoen. De kolonie kleine mantelmeeuwen zien we dus alleen van verre. Ook in de verte zien we achter ons Rowan met zijn groep de korte doorsteek maken naar het strand, voor de weg terug naar Heartbreak.
Rowan:
Tussen de hoge duinen waait het wat minder hard. We vinden een plekje, waar we zittende of staande een paar boterhammen kunnen opeten. Met af en toe een knarsende zandkorrel tussen de kiezen. Een nagenoeg tamme zilvermeeuw houdt ons gezelschap. Het dier wordt op de foto gezet en als dank voor het poseren, werpen we hem of haar verschillende stukken brood toe.
Rien:
Wij ploeteren nog dapper even verder naar het reddinghuisje dat bij paal 25 op de kaart staat, maar dat we uiteindelijk niet vinden. Iedereen overwint het steile duin (vooral omlaag!) en daarmee zichzelf. Onze bammetjes eten we in een windstil duinpannetje. Meegebrachte matjes zijn geen overbodige luxe voor onder de bips. Na een kwartiertje breken we weer op omdat we anders teveel af zullen koelen. Vanaf hier is het vijf kilometer rechtdoor over het strand. Vóór de wind gaat het nu, en iedereen gaat op zijn eigen tempo terug naar Heartbreak Hotel. Heerlijk, het toppunt van uitwaaien!
Rowan:
Na al het windgeraas, is het ook fijn om de stilte van een bos op te zoeken. Rowan last daarom een extra lus door het Hoornsebos in. We gaan op zoek naar de dennenorchis. Deze voor Nederland zeldzame plantensoort komt op Terschelling juist in grote aantallen voor. Hoe saaier en eentoniger het bos, des te groter de kans, dat de bodem reeds in maart bedekt is met het prille groen van de dennenorchis. Zo luidt de tekst in het boekje. Ditmaal komt de praktijk helemaal overeen met de theorie. Langs een recht pad, staan onder de in rijen aangeplante bomen, te midden van een dikke laag naalden, duizenden kleine groene plantjes.
Rien:
Op het menu staat ’s avonds kip, maar de saladebar wordt een steeds geduchter concurrent van het hoofdmenu. De Walvisvaarder zonder open haard kunnen we ons inmiddels niet meer voorstellen.

Zondag 15 maart
Rien:
De zuidkant van Lies staat vandaag op het programma, dus de Terschellinger polder. Het voelt iets minder koud dan gisteren, en weer staat er die frisse bries. De groep van Rowan vertrekt voor een rondje met de wijzers van de klok mee en die van Rien gaat er tegenin. In het Formerumerbos ontstaat een zoektocht naar exotische bomen, die de boswachter keurig langs het pad heeft geplant. Het warme cranberrygebak bij de Rustende Jager is anders dan elders dus daarmee kunnen we de Waddendijk wel aan. Al bij de Landerumer eendenkooi komen we Rowan tegen. Die zijn snel! Dan volgt het magische moment van het je-hoofd-boven-de-dijk-uitsteken. Het wad? ’t Is eb!
De buitendijkse gebiedjes De Keag en ’t Sehaal bieden veel grutto’s (geen rosse), wulpen, rotganzen en steenlopers, die ondanks het lage water toch niet al te ver op het wad zitten. Als we bij De Ans zijn is het water alweer hoger. Hier gaan we over de dijk de polder in en verorberen we onze laatste cranberrykoekjes van de cranberrylekkernijmakerij. Sommigen horen hun eerste veldleeuwerik van het jaar (live of op de app) en er zijn grote groepen goudplevieren tussen de kieviten. Verderop jawel, drie lepelaars, en heel veel brandganzen die bijna klaar zijn voor hun reis naar Spitsbergen. Lies komt steeds beter in zicht op de laatste kilometers.
Rowan:
Een greep uit de bijzondere waarnemingen van vandaag:
Grote groepen brand- en rotganzen. Een groep mensen, laat ons aan de voet van de Waddendijk hun oogst zien: emmers gevuld met oesters, kokkels en zeekraal. Het is bewolkt, toch is het zicht goed, een grote kantoorkolos in het centrum van Leeuwarden is te zien. Eider- en bergeenden op het wad. Een havik, die neerstrijkt in de bomen rondom een eendenkooi. Een lange rechte bosvijver, die gebruikt werd, om de uit Drenthe ingevoerde stukken turf nat te houden. De dikste den van Terschelling. En wederom de dennenorchis.
Rien:
Nog even een klein omweggetje omdat dit aangewezen fourageergebied is voor de ganzen en dan gaan we voor de laatste keer De Walvisvaarder in, waar nog een kopje soep op het programma staat. Daarna pakken de meesten hun koffers en gaat het met het hoofd en de longen vol frisse zeelucht naar de boot, uitgewaaid terug naar de wal.
Bericht geplaatst door Rien Jans en Rowan Koster op donderdag 23 juli 2015


Verslag DORDOGNETOCHT (F) 2015
(zondag 14 tot en met zondag 21 juni)

Dag 1

De heenreis vanaf Rotterdam verliep volgens plan. De taxi wachtte al op het vliegveld, en tegen 17 uur waren we in Belves. Het hotel is authentiek frans, met een douchecabine op de kamer en wat golfjes in de vloerbedekking, maar schoon en goed. Na een glaasje op het terras, hebben we een wandeling gemaakt door Belves, omhoog, omlaag, door de kleine straatjes. Daarna lekker gegeten. De eigenaars zijn erg vriendelijk.

Dag 2

We kregen lekker brood bij het ontbijt, en warme croissantjes, en voor de lunchpakketten helemaal voldoende en goed. Iedereen tevreden. Mevrouw Pereira bracht ons met het busje naar Cadouin, waar helaas de kerk nog dicht was. Maar de koffiebar was al open. Even moed indrinken, en toen op weg!
Mooie kleine wegjes, licht dalend, licht stijgend, een slapend dorpje en wat gehuchtjes, en tenslotte kwamen we in Paleyrac. Het amphitheatertje achter de kerk was een prima rustplek, met toilet, water en banken voor de hongerige wandelaars. Later, in Urval, was de kerk wel open, en ook de gemeenschappelijke, eeuwen oude broodbakoven hebben we gezien. Jaren geleden kwam hier de Tour de France langs, en dat kun je nog zien! We liepen verder, door het bos en even langs de weg, naar het Camp de Cesar. Of Cesar daar nou echt geweest is? Nou, de Romeinen wel, en die dolmen is nog veel ouder! Na het bos zagen we Capelou al liggen, maar we deden de hele route. Niemand had behoefte aan een afkorting. Rustig doorgelopen, en in Belves meteen het terras op, waar koffie met taart graag gelaten werd voor een biertje. Een geweldige startdag, iedereen was tevreden en meer dan dat.

Dag 3

In een miezerig motregentje vertrokken we al op tijd, voor de boucle de la Bessede. De eerste 2 uren was er geen goede rustplaats, maar het weer knapte op en het uitzicht werd steeds minder wazig. We stopten bij de houtzagerij, waar zelfs Henk na lang zoeken de bedrijfskantine niet kon vinden. Dan maar op een boomstam lunchen, een horizontale..daarna liepen we , in de eerste zonnestralen, door naar het 12e eeuwse kerkje van Vielvic, voor de 2e boterham. De Bessede, de grote hoogvlakte die voor een groot deel begroeid is met kastanjebomen, was het volgende traject. Onderweg zagen we lokkooien voor duiven, ingenieuze constructies van ijzerdraad. We staken de Raunel over, voorbij het kerkje van Saint Pardoux, (de heilige Pardoes?), en via het gehuchtje Grimaudou bereikten we Capelou. Dit is een regionaal pelgrimsplaatsje, met een geneeskrachtige bron en volop banken om even te rusten. Langs de watertoren bereikten we Belves, en toen was er eindelijk koffie, of een biertje.
Na de douche doken we onder de grond, de grotwoningen in, die zich onder het marktplein van Belves bevinden. Een indrukwekkende rondleiding door een serie middeleeuwse "woningen", die pas in de jaren 80 van de vorige eeuw zijn herontdekt.

Dag 4

We hoefden geen lunchpakket te maken, en waren al vroeg startklaar. Eerst voerde het pad de helling af naar Fongauffier, over de Nauze, en weer omhoog. Daarna weer omlaag om het volgende riviertje over te steken, dat droog stond..de watermolen, Ecoute s il pleut, werkt ook al lang niet meer.. Weer stijgen, langs een door wilde zwijnen geweldig omgeploegd pad en daarna een kop koffie op het terras bij Annemiek in Saint Germain de Belves. Om 12.45 werden we voor de lunch verwacht bij Mireille en Jean-Pierre. Wat een lunch ! Zelfgemaakte notenwijn , met noten, als aperitief. Toen 4 soorten zelfgemaakte paté en vleeswaren met sla en brood. Daarna koude kip met warme doperwten, en tenslotte fruitsalade. En koffie na. En wijn bij het eten, want Cladech was niet meer ver.. De taxi haalde ons daar op en bracht ons naar het tweede hotel, in Souillac. De kamers zijn wat luxueuzer, het restaurant heeft wat meer allure, maar een terras is er niet. Wel vlakbij.

Dag 5

Tja, de chauffeur had het ook al aan zijn collega s gevraagd, maar de Moulin de Patot, het startpunt van de dag, daar had niemand ooit van gehoord. Met onze stafkaart bij de hand kwamen we er toch. We liepen lekker een stuk langs de Dordogne, het werd al warm, en in Saint Julien de Lampon rook de koffie zo lekker.... We staken de Dordogne over en liepen omhoog naar Carlux. Precies om 12 uur stonden we onder de klokkenstoel. Vanuit het rivierdal is het altijd klimmen, maar we vonden tenslotte een mooie lunchplek bij het clubhuis van de jagersvereniging. De stoelen stonden al klaar!
Daarna gingen we via een lang pad door een groen en vochtig bos. Aan het einde bleek helaas, dat de geitenboerderij in Millac geen geitenkaas maakt, maar geitenwollen sokken. Wel leuke geiten, erg fotogeniek. Na een korte rust liepen we weer door, de vlakte op. Boven alle pasgemaaide weilanden vliegen de wouwen af en aan om muizen te zoeken. Voor ons was het even lekker uitwaaien, en weer het bos in. 5 dagen geleden had het enorm geonweerd en geregend, en het pad was nogal uitgespoeld en niet makkelijk begaanbaar. Maar tenslotte bereikten we toch, onder het treinviaduct door, de buitenwijken van Souillac. Henk was jarig, en we liepen rechtstreeks naar het terras voor een biertje. Iedereen was flink moe. We besloten, dat we morgen met deze temperatuur geen 20 km hoeven lopen, en wat langer kunnen pauzeren. Gaan we doen.

Dag 6

Vrijdag is marktdag in Souillac. We kochten een boel lekkers voor de lunch: brood, worst, ham, kaas, (Rocamadour), olijven, tomaten, meloen.
Daarmee staken we de Dordogne over , langs het dorpje La Durantie, en klommen -geleidelijk- de heuvel op naar de uitzendtoren, het hoogste punt dus. 340 meter hoog, volgens de meetapparatuur van Martha. Dat kostte veel en diep ademhalen, maar boven installeerden we ons op een muurtje voor een korte rust. Alweer geen bedrijfskantine.. Halverwege de afdaling, net voor Cieurac, bestempelden we een waterpompstation tot picknickplaats. Eindelijk het kleedje, de plank en de messen uit de rugzak. Het kleedje bleek te klein, maar met zitlappen en stenen vond iedereen een plekje.
We daalden daarna, langs het kasteel van Cieurac, af naar de rivier en volgden de Dordogne tot in Souillac. Na de zware dag van gisteren, en met het oog op de warme dag van morgen, was er weinig animo voor een tweede rondje. Alleen onze onvolprezen Lut was het, ondanks haar blaren, nog niet moe en knoopte er nog een paar kilometer aan ! Voor de overigen was het zwembad, de stad en het terras aantrekkelijker.

Dag 7

Wat een heerlijke laatste wandeldagen. Het weer was geweldig: zon en een windje. De route was niet zwaar, veelal vlak . Eerst staken we, vanuit Pinsac, de Dordogne over en liepen door de velden naar Belcastel. In het dal van de Ouysse, op het beschaduwde terras boven de rivier, dronken we koffie en volgden vervolgens dit riviertje stroomopwaarts. Bij de watermolen van Cougnaguet konden we op bankjes zitten om onze lunch te verorberen, inclusief wat tomaat en worst van gisteren. Bij het weggaan zagen we zowaar een waterspreeuw! We bleven de Ouysse volgen, tot dat die er niet meer was: helemaal droog! Intussen liepen we al tussen enorme rotswanden door ; indrukwekkende karst- en kalkmuren, die elk uitzicht belemmeren, zodat je alleen maar kan doorlopen. Want de gieren hoog boven ons loeren op iedereen die blijft liggen!
Als een verrassing was daar opeens Rocamadour. Eerst hebben we wat gedronken, nee, geen koffie.. Toen de 223 treden op naar de kapellen en de sportellen. Het geslenter daarna in de hoofdstraat is onvermijdelijk : iedereen doet het, dus je moet mee. Gelukkig was onze chauffeur Alain , zoals steeds, al voor de afgesproken tijd aanwezig en bracht ons terug naar Souillac.

Dag 8

Na het ontbijt bezochten we het Musee de l Automate : mechanisch en elektrisch bewegende poppen, dieren en voorwerpen, met veel humor gemaakt en gepresenteerd. Nog een kop koffie en een klein rondje door het parkje en langs de Borreze, en toen kwam onze chauffeur ons ophalen. In ruim 1,5 uur bracht hij ons naar het vliegveld. Met een kleine vertraging in de vertrektijd eindigde ons verblijf in de Dordogne.


Bericht geplaatst door Annemiek Breukers, reisleider Dordognetocht op donderdag 23 juli 2015


DORDOGNETOCHT (F), 14 tot en met 21 juni 2015

Zondag 14 juni 2015 werden we, de zes Uniek wandelaars, op vliegveld Rotterdam warm begroet door Annemieke Breukers, onze gastvrouw voor de komende week. We vlogen naar Bergerac en reden met een taxibusje naar Belvès. Diezelfde dag maakten we kennis met de overheerlijke lokale wijn, Pécharmant.
Maandag liepen we een prachtige route naar Belvès vanuit Cadouin, een stadje 12km verderop.
Dinsdag een rondje Belvès met aan het einde van de dag een bezoek aan een grotwoning midden in het stadje. Belvès is een van de ‘belle villages’ in deze streek en tevens een middeleeuws stadje, dat boven op een heuvel ligt waardoor je het ook tijdens de wandeling vaak kunt zien liggen. De grotwoningen lagen onder het centrale plein waar in 1907 een paard met wagen plotseling onder de grond verdween en de huizen ontdekt werden. Het gat is toen opgevuld met afval. Pas in 1981 werden de huizen uitgegraven en opengesteld voor het publiek. Zeer interessant!
Woensdag weer een verrassende dag. Na een aantal uren gelopen te hebben, kwamen we aan bij het huis van Annemiek, waar we ons installeerden onder het gebladerte van de druiventakken, terwijl Annemiek ons verwende met een lekker bakkie met wat lekkers dat ze bij de bakker in Belvès had gehaald.
Daarna naar ons lunchadres – de ‘mairie’ (burgemeester) van het dorp, maar tevens boer en gastheer van een table d’hote samen met zijn vrouw. Wij werden onthaald met een plaatselijke likeur – walnotenwijn – met daarbij verse walnoten. Voor de lunch kregen we overheerlijke zelfgemaakte (!) eenden-, zwijnenpaté en bloedworst! Daarnaast nog heerlijke plakken varkensvlees. Samen met een grote schaal zelfgemaakt brood. Toen dat op was, kwam er een pan met dorperwtjes op tafel én nog een grote schotel met kip. Fruit als toetje en het geheel afgerond met koffie of thee. Wat een unieke belevenis zo op het platteland midden in de Dordogne met heerlijke plaatselijke producten!
Na afloop namen we nog een kijkje in de stenen oven in de tuin, waar wekelijks het brood wordt gebakken - mede door iedereen die dat wil. Na het brood gaan de pizzas en cakes de oven in. Een gezamenlijke en gezellige happening voor het hele dorp. Dit soort ovens vind je in meerdere steden en dorpen.
Na nog een korte wandeling werden we door onze taxi naar onze 2e overnachtingadres gebracht in Souillac, waar we konden bijkomen en afkoelen in het zwembad achter het hotel.
Donderdag, een prachtige lange wandeling die begon net t.z.v. de Dordogne. Over de brug naar Carlux en verder door de bossen weer terug naar Souillac, waar Henk ons trakteerde op een drankje omdat hij jarig was!
Vrijdag gingen we eerst naar de markt om lekkere dingen in te slaan voor de lunch – wat een belevenis! Het hele stadje komt tot leven op zo’n dag. Mensen begroeten elkaar met dubbele zoenen, er wordt gelachen en bijgekletst. En wat een lekkernijen lagen er uitgestald! We kozen heerlijke geitekaasjes, ham, olijven, tomaten en een meloen. De wandeling was een geleidelijke klim naar de top en daarna weer afdalen, 2x over de Dordogne en zo terug naar Souillac, waar we een heerlijk verfrissend drankje kregen. Alleen onze Belgische medeloopster Lut koos ervoor om nog een extra lus te gaan lopen. Wat een energie! De anderen kozen voor het zwembad of wat tijd voor zichzelf. Wat een vakantie! Wolken bij het wandelen en zon bij het zwembad!!
Zaterdag, al weer onze laatste wandeldag. Eerst met het busje naar Pinsac. Daarna een prachtige wandeling van 19km naar het bedevaartsplaatsje Rocamadour. De weergoden waren ons weer gunstig gestemd. Het was een zonnige dag met een strakblauwe lucht. Maar ook een lekker fris windje bij het lopen. Kon niet beter! In Rocamadour aangekomen bezochten we de prachtige kerk die in de rotsen is gebouwd. Samen met veel andere ‘pelgrims’ beklommen we de 225 treden. Een indrukwekkende afsluiting van een geweldige week!
Annemiek deed Uniek zeker eer aan met deze eerste wandelweek in het zuidwesten van Frankrijk!
Bericht geplaatst door Finy Sekuur, deelnemer Dordognetocht op maandag 22 juni 2015


Sint-Janswandeling, 21 juni 2015
Den Dolder-Ecoduct Op Hees-Lange Duinen-Landgoed de Paltz-voormalig vliegveld Soesterberg-Den Dolder

Het is inmiddels donker buiten. De zon is alweer een tijdje onder. De "langste dag" van het jaar is bijna teneinde.
Zijn jullie ondertussen al opgedroogd? En hoe is het met de spullen, die in je rugzak en/of jaszak zaten? Hopelijk valt het mee met de waterschade.

Hier in Ooij, maar ook in andere delen van Nederland, schijnt het nauwelijks geregend te hebben. Het zou mij niets verbazen als rondom Soesterberg vandaag het meeste water gevallen is.
En dat voor 21 juni, een dag, waarop je veeleer rekening houdt met intensieve zonnestraling, mul zand, trillende lucht, zoemende insecten, droge keel etc..
Het leek wel Kerstmis, toen, kort nadat we het statige landhuis van landgoed de Paltz, waren gepasseerd, de lampen aan gingen. Wat was het donker onder de beuken.
Als ware helden, hebben wij uiteindelijk al het hemelvocht getrotseerd. Dus daarom alsnog een applausje voor ons zelf!
Bericht geplaatst door Rowan Koster op zondag 21 juni 2015


Verslag Sächsische Schweiztocht; 17 tot en met 24 augustus 2014

zondag 17 augustus

Om 10.30 uur zet de wit-rode Ford Transit personenbus zich in beweging. Aan boord zitten 7 deelnemers en een reisleider annex chauffeur.
Vlakbij de uitgang “Sonsbeekzijde” van NS-station Arnhem hebben we bij een picknicktafel in de zon een kopje koffie of thee gedronken. Met een koek erbij. Ondertussen hebben we elkaar al een beetje leren kennen.
Om half een zitten we opnieuw buiten op de bank. Bij Raststätte Am Haarstrang, op 30 kilometer van Dortmund. De zon gaat regelmatig schuil achter dikke wolken en het waait stevig. Even wat eten en drinken en de benen strekken. En verder maar weer. De koers is oost tot zuidoost. De totale afstand zo’n 700 kilometer.
Via Oberhausen, Dortmund, Kassel, Eisenach, Chemnitz en Dresden rijden we het Elbsandsteingebirge tegemoet.
Tussen Rittmannshausen en Ifta stuiten we op de restanten van het IJzeren Gordijn. Een fijnmazig stalen hekwerk met betonnen staanders, dat ruim 25 jaar symbool stond voor de scheiding tussen Oost en West. Anno 2014 kun je er gewoon langs lopen. Niemand houd je meer tegen.
Een lang stuk snelweg tot Hermsdorf volgt. In dit dorp dineren we in hotel "Zum schwarzen Bär", een historisch pand (vakwerk) met mooie binnenplaats.
Het is al enige tijd donker, als we het doel van onze rit, Hotel Rathener Hof in Weiβig bereiken.

maandag 18 augustus

Op de eerste wandeldag van deze reis is de groepsfoto gemaakt.
Wij staan op één van de pilaren van de Rauenstein. Om hier te komen, hebben we tientallen traptreden moeten beklimmen. Ook was er een lange metalen ladder, die in een spleet tussen het zandsteen was aangebracht.
Bij de berghut konden we terugkijken naar Weiβig, het dorpje, waar ons hotel staat. We zijn niet neergestreken op het terras.
De koffiepauze was namelijk in Stadt Wehlen, aan de andere kant van de Elbe. Een pontje met motor bracht ons naar de overkant.
In de Teufelsgrund zijn we een nauw zijdal in gegaan. Op een paar plaatsen moesten we tussen de rotsen door kruipen. Ik en nog enkele andere deelnemers waren genoodzaakt, om de rugzak af te doen.
Via de Steinerner Tisch bereikten we de Bastei. Een heel toeristisch punt. Maar de moeite waard. Diep beneden ons de Elbe en om ons heen hoog oprijzende rotsmassieven. Met sprekende namen. Zoals “Lokomotive” en “Mönch”.
Opnieuw traptreden, ditmaal om snel naar beneden te komen. Naar Luftkurort Rathen. In de regen gaan we naar de overkant van de rivier. Met tientallen mensen staan we op een brede gierpont. Het vaartuig is aan de bovenkant verbonden met een lange kabel. Deze kabel kan een stuk naar links of naar rechts zwenken. Ook kan de kabel worden aangetrokken of worden gevierd. De stroming van de rivier brengt het schip in beweging en de stuurman zorgt ervoor, dat de pont naar de overkant giert. Een heel simpele maar doeltreffende manier, om een rivier over te steken. In Nederland in het verleden ook veelvuldig toegepast.
Er kan gekozen worden. Rechtstreeks naar Weiβig of met een omweg. De rechtstreekse weg is uiteraard het kortst, maar wel erg steil. De lange route gaat door bos en langs een solitaire rotspilaar, de Nonne.

dinsdag 19 augustus

Vandaag gaan we vanuit Luftkurort Gohrisch lopen. Met de minibus rijden we naar dit dorp, dat een eindje ten zuiden van de Elbe ligt.
Via een lange straat met vrijstaande huizen en grote tuinen bereiken we het bos. We dalen iets af, naar de Suppelsgrund.
De bomen maken plaats voor weilanden. We kunnen een heel eind van ons af kijken. We zien in de verte verschillende hoge rotspartijen staan.
Langs het pad een hertenkampje en even later een speeltuintje. Met houten trein.
De eerste traptreden dienen zich aan. Een behoorlijke klim en dan boven op de Pabststein (452 m) koffie met iets erbij. Apfelstrudel met vanillesaus en een bolletje ijs of “gewoon” gebak. De zon schijnt volop. Beneden ligt onze startplek, Luftkurort Gohrisch.
De afdaling is niet moeilijk. Het is de hoofdroute tussen “berghut” en parkeerplaats.
Rondom de Speckstein strekt zich een wat vlakker gebied uit. In het naaldbos is een Geologisch Lehrpfad uitgezet.
Bij “Onkel Pauls Ruhe” strijken we neer in het gras en eten we (een deel van) ons lunchpakket op. Helemaal stil is het hier niet. Een boer is bezig, om een groot veld om te ploegen.
Het graan is op de meeste plaatsen al een tijdje geleden geoogst. Zo niet aan de voet van de Pfaffenstein. Meerdere combines zijn bezig. De graankorrels worden gestort in de laadbakken van twee kleine Oostduitse vrachtwagens, een groene en een blauwe IFA-truck. Met enig ontzag staan we te kijken naar het “machinegeweld” op de uitgestrekte akker.
Het bezoek aan de Pfaffenstein hebben we er dan al op zitten. Boven in het Gasthaus hebben we nog wat gedronken.
Het laatste stuk van de wandeling zou gewoon over asfalt kunnen voeren, maar dat is saai. Dus nog een aantal zigzaggen door het gebied. Hetgeen betekent een klimmetje en een stuk dwars door een weiland.

woensdag 20 augustus

De Lilienstein is ons doel. Vanaf het terras van ons hotel hebben we deze tafelberg reeds uitgebreid kunnen bewonderen. Nu gaan we de “steenklomp” ook echt beklimmen.
Eerst moeten we aan de andere kant van de Elbe zien te komen. De kortste verbinding naar de gierpont is een steil grindweggetje. Omlaag.
Eenmaal aan de overkant volgen we de rivier een eindje stroomopwaarts. Dan omhoog door een loofbos. Het terrein wordt wat vlakker. Bos en weilanden wisselen elkaar af. De Lilienstein komt weer tevoorschijn. We beklimmen de berg vanaf de oostzijde. Boven is de koffiepauze. We zitten buiten in de schaduw en enigszins op de wind. We lopen een rondje over het plateau. In de zon. Beneden zien we de plaatsen Königstein (dichtbij) en Bad Schandau (ver weg) liggen.
Aan de voet van de Lilienstein eten we op of naast strobalen een aantal boterhammen op. Sommigen van ons gaan ook even plat. Oogjes dicht en genieten van de warme zonnestralen.
Minder plezierig is de val van Nel. Zij ziet een greppel over het hoofd, als zij naar het informatiebord loopt, waar de reisleider een verhaal staat af te steken. Ondanks de pijn is Nel in staat om verder te lopen.
Beneden bij de Elbe moeten we even wachten. Er komen twee stoomraderboten voorbij.
Het centrum van Königstein vereren we met een kort bezoek. We passeren een parkje met “bijbelse kruiden”.
De Elbe treedt regelmatig buiten haar oevers. Met alle nadelige gevolgen van dien. Supermarkt Edeka op steenworp afstand van de rivier is daarom voorgoed gesloten.
Wij keren de rivier ook de rug toe. We moeten immers naar boven. We steken een beek over en komen in Thürmsdorf. Op een helling in de zon pauzeren we nog eenmaal.
Het laatste gedeelte kent niet veel hoogteverschillen meer. Weiβig zien we in de verte liggen. Een paadje tussen de huizen door en langs de dorpsvijver brengt ons bij het hotel.

donderdag 21 augustus

Nel heeft ruggespraak gehouden met haar dochter. Zij krijgt als advies mee, ga naar het ziekenhuis en laat je onderzoeken. Nel zetten we af bij het ziekenhuis van Pirna.
Vervolgens proberen we een parkeerplek te vinden nabij het station. Dat is niet makkelijk. We moeten een heel stuk lopen. En een trein later naar Dresden nemen.
De Prager Straβe met hoge winkelgebouwen en flats brengt ons naar het hart van de stad. Menigmaal wachten we tot het rode “Ampelmännchen” of “Ampelweibchen” op groen springt. In de Kreuzkirche vinden regelmatig concerten plaats. Het gebouw is na 1945 weer opgebouwd. De inrichting is echter heel sober gebleven.
De Frauenkirche schittert weer als vanouds. Onlangs is de kerk heropend. Rowan voert de groep verder mee naar de Brühlsche Terrasse langs de Elbe. Om ons heen staan indrukwekkende gebouwen. Veelal getooid met bijzondere ornamenten. Het ziet er allemaal heel authentiek uit. Alsof er in februari 1945 geen grote brand heeft gewoed. Bij het Residenzschloβ drinken we koffie. Met iets erbij. Gezamenlijk lopen we als laatste naar het Zwinger.
’s Middags kan iedereen op eigen gelegenheid de stad verder verkennen. We treffen elkaar weer op het station.
In Pirna pikken we Nel op. Zij heeft na afloop van haar bezoek aan het ziekenhuis nog een aantal leuke uren doorgebracht in het centrum van Pirna.

vrijdag 22 augustus

Het Nationalpark Sächsische Schweiz valt uiteen in twee delen. Een brokje rondom de Bastei en een flinke lap nabij de Duits-Tsjechische grens. Het laatste gebied is rustiger. Er zijn minder dorpen en er zijn weinig doorgaande wegen.
Op een heuvel parkeren we de minibus. Een eindje naar het zuiden ligt het Kirnitzschtal. Om ons heen veel landbouwgrond. Hier en daar zijn de bermen getooid met veel bloemen. Ook komen we plukken bloeiende struikheide tegen.
In het Kirnitzschtal rijden gele trammetjes. En er is een attractie van formaat aanwezig: “der Lichtenhainer Wasserfall”. Op gezette tijden klettert hier heel veel water naar beneden. Het duurt maar een paar minuten. Toeristen worden hier in de maling genomen. Wij weten echter beter. Het water wordt opgespaard achter een schot. Door middel van een hendel klapt dit schot omlaag en voilà het water komt vrij.
Na dalen komt stijgen. Aan de rand van een beukenbos ligt de Kuhstall, een verzameling zandsteenrotsen. Met behulp van de Himmelsleiter (steile ladder in rotsspleet) kun je de vlakke bovenkant van de rotspartij bereiken.
Dertig meter lager bevindt zich een Gaststätte. Hier hebben we ons zelf voorzien van extra brandstof. Kaffee oder Tee mit Kuchen.
Een andere trap/ladder brengt ons naar beneden, naar een kruispunt in het bos. We kiezen voor de richting “Groβer Winterberg” (wit vierkant met rode stip). Later houden we de markering met een rode streep aan. Dit is een smaller pad, dat door een beuken- en sparrenbos slingert. Grote hoogteverschillen zijn er niet. Wel komen een stel hoge rotspilaren naderbij. Ze staan links van ons. We bewonderen ondermeer de Affensteine.
Op de terugweg doen we opnieuw het Kirnitzschtal aan. Naast een gebouw, dat betere tijden heeft gekend, gaan we omhoog. Boomwortels proberen ons de weg te versperren. We klauteren ijverig door. Aan de rand van een weiland mogen we op adem komen. Daarna is het nog een klein stukje naar de minibus.

zaterdag 23 augustus

Beneden, op niet al te grote afstand van het hotel, ligt het buurtschap Strand. Er staan wat huizen en inderdaad tussen de spoorlijn en de Elbe zien we een strook met geel zand liggen. Echt lekker weer om te zwemmen is het niet. Bovendien kun je je afvragen, of het rivierwater wel schoon is. Grote hoeveelheden chemicaliën en meststoffen worden geloosd in de Elbe. Wij houden het op wandelen. Dat is onze sport.
Wij gaan nog eenmaal genieten van al het moois, dat de Sächsische Schweiz te bieden heeft. Een overtocht met de gierpont hoort daar zeker bij.
In Niederrathen volgen we de bordjes naar Koppelsgrund. Langzaam maar gestaag gaan we omhoog. We kruisen een asfaltweg en dalen weer af. Beneden ligt het schilderachtige Polenztal. Een kronkelend riviertje zoekt zijn weg, tussen hooilanden en moerassige ruigten door. Links en rechts rijzen slanke rotspilaren op.
We worden ingehaald door een andere wandelgroep. Wat hogerop zijn de rollen omgedraaid. Wij gaan nu aan kop. Boven wacht de koffie. Met wederom iets lekkers erbij. Het uitzicht vanaf dit punt, “Brand” genaamd, is grandioos. Na enig speuren ontdekken we in westelijke richting ons hotel.
Vanaf het “Hafersackaussichtpunkt” werpen we een blik in de Tiefer Grund. We keren terug naar de asfaltweg. Deze volgen we een tijdje. Een pad naar links en na korte tijd een meertje, een geschikte lunchplek.
Opnieuw het Polenztal met de Waltersdorfer Mühle. En een stukje verder en wat hogerop Waltersdorf zelf. Een klinkerweggetje gaat de kant van Niederrathen op. De Elbe komt weer in zicht. Vanaf de Kleine Bastei kunnen we de bedrijvigheid op en rondom de rivier aanschouwen.
Het bos heeft plaats gemaakt voor een parkje met bijzondere boom- en struiksoorten.
Een “zigzagpad” brengt ons bij de rivier. Tezamen met heel veel andere toeristen steken we voor de laatste maal de Elbe over.
Aan de overkant heeft Rowan nog een nieuwe route in petto. Door het bos en voortdurend omhoog. Een nauw dalletje en dan een slinger over de helling. Vakantiewoningen aan weerszijden van de zandweg. Een bocht. En gelijk het hotel. Wij hebben de klus van vandaag volbracht.

zondag 24 augustus

De bergschoenen kunnen in de tas. Gewoon schoeisel volstaat. We zitten immers de hele dag in het busje.
Om half negen rijden we weg uit Weiβig. Bij Pirna draaien we de snelweg op.
In Hermsdorf is de eerste pauze. Rowan had een “luxe koffiestop” in gedachten. Maar het restaurant, dat bij het tankstation hoort is gesloten. Dan maar koffie uit de automaat. Met een koekje erbij.
In Breitau, tussen Eisenach en Kassel, kunnen we wel echt plaatsnemen. In Gasthof Zum Heiligenberg. Voor een uitgebreide lunch. Er is op ons gerekend. Onze bestelling hebben we reeds doorgegeven.
Nog ruim 370 kilometer te gaan. De reis verloopt voorspoedig. Om 19.00 uur zijn we reeds in Arnhem. Eerder hebben we nog gestopt langs de A44 in de omgeving van Soest.
Bericht geplaatst door Rowan Koster op woensdag 22 april 2015


Zuid-Limburgtocht; 30 september tot en met 2 oktober 2014
vanuit Euverem bij Gulpen

dinsdag 30 september
Vanuit het hotel in Euverem zijn we gaan lopen. Geleidelijk omhoog. Naar het dorpje Heijenrath. Voorbij de kapel, kwamen we op een smal paadje. Tussen de weilanden door.
In het bos daalden we af. Naar de Gulp en naar restaurant De Boswachter in Slenaken. Op het terras van deze horecagelegenheid hebben we koffie/thee gedronken met vlaai.
De tweede helft van de wandeling voerde zoveel mogelijk langs de Gulp. Hier en daar kronkelt dit riviertje behoorlijk. Onderweg moesten we nog eenmaal flink omhoog. En weer afdalen natuurlijk.
Een tijd lang hebben we door een bos met dicht op elkaar staande essen gelopen. Bij kasteeltje Karsveld zijn we even bij de toegangspoort gaan kijken. Het optrekje staat te koop.
Een caravan op een mesthoop trok ook onze aandacht. Deze was niet te koop. Maar wel te huur?
Over mest gesproken, af en toe moesten we tussen de koeienvlaaien door laveren. De producenten van deze bruine massa, versperden ons een paar keer de weg. Eén koe zat zelfs midden op het pad en bleef gewoon rustig zitten.
Opnieuw koeien tijdens het extra lusje. De reisleider, Jan, Wil, Rieke en een stel wielrenners moesten wachten bij een boerderij. Over de weg kwam een kudde melkvee onze kant op. Op weg naar de stal, om gemolken te worden. Een informatiebordje wees ons op de restanten van een hoog talud. Hierover reed in het verleden (jaren twintig en dertig van de vorige eeuw) een tram.
Kasteel Neuborg is ook langs de Gulp gelegen. Een groot gebouw, omgeven door grachten. En verder veel geboomte, enkele bijgebouwen en de restanten van een ommuurde tuin. Heel voorzichtig is men begonnen met de restauratie. Er moet nog veel gebeuren!
’s Avonds staat er ondermeer zalm- en scholfilet op het menu.

woensdag 1 oktober
Vandaag zoeken we het nog wat hogerop. Met een stel auto’s rijden we naar het Vijlenerbosch op meer dan 200 meter hoogte. Het is een mooie rit. We komen ondermeer door Slenaken en Epen. Voorbij deze laatste plaats, kruisen we het riviertje de Geul.
Ons doel is de Vaalserberg, het hoogste punt van Nederland. Hier ligt tevens het Drielandenpunt. De grenzen van Nederland, België en Duitsland komen hier bij elkaar. Gedurende iets meer dan 100 jaar is er zelfs sprake geweest van een Vierlandenpunt. Het neutrale staatje Moresnet lag toen als een taartpuntje tussen het stadje Limburg (België) en de grote stad Aken (Duitsland).
Op weg naar de 322 meter hoge “top”, worden we een paar keer getrakteerd op mooie vergezichten. We zien Vaals liggen. En aan de andere kant kunnen we een heel eind richting Ardennen kijken. Over het algemeen gaan we geleidelijk naar boven. Er zijn een paar steile stukken omhoog. Om het wat lastiger en “spannender” te maken, gaan we soms ook omlaag.
Vlakbij het labyrint en een gebouw van de VVV, drinken we koffie/thee met vlaai.
Het spreekt voor zich, dat de terugweg vooral bergafwaarts gaat. Via het buurtschap Wolfhaag, bereiken we een laagstamboomgaard, waar een smal paadje doorheen voert.
Bij de doorgaande weg is een fruitautomaat. Geen “eenarmige bandiet”, maar een heuse “automatiek” met gezonde producten. Rowan koopt een zak Wellandt appels.
Als we de weg oversteken, komen we op het terrein van het Heiligen Beeldenmuseum. We lopen een bosje in, waar witte kruiswegstaties staan.
Kasteel Vaalsbroek (luxe hotel) wordt omgeven door een fraai park met verschillende waterpartijen. We zien een eekhoorn over het gras lopen. Even later klimt het beestje een boom in. Een stukje verderop staan we stil bij een enorme Oostenrijkse den.
Tijdens het wandelen is de naam Holset al een paar keer gevallen. Het is een fraai dorpje met vakwerkhuizen en een kerk als blikvangers. We lopen er naar toe. Daarvoor moeten we een helling op.
De auto’s staan nog wat hoger. Een deel van de groep (waaronder de chauffeurs) gaat met de reisleider mee. Het Holsetterbosch in. De anderen strijken neer op een terrasje.
Zij worden na een goed half uur opgehaald.
Op de terugweg doen we Vijlen en Mechelen aan. In Gulpen missen we een afslag, waardoor we verderop moeten keren. Het blijkt te gaan, om een weggetje, dat alleen toegankelijk is voor bestemmingsverkeer. Rowan vat dit begrip ruim op. We zijn immers –tijdelijk weliswaar- bewoners van het buurtschap Euverem.
Tijdens het diner krijgen we zuurvlees voorgeschoteld, een echt Limburgs gerecht.

donderdag 2 oktober
Op de laatste dag is de start en de finish van de wandeling in Euverem.
Na een paar honderd meter ontdekken we aan het prikkeldraad een pluk dassenhaar.
Achter het hek, liggen enorme hopen zand. Dassen hebben al deze grond verplaatst bij het graven van holen. Rechts van het asfaltweggetje ligt een hoge aarden wal. En er is een viaduct. Ook hier heeft in het verleden de tram gereden.
Helemaal van deze tijd, zijn de doeken van kunststof, die zijn gespannen over appel- en perenbomen. De laagstambomen hangen vol met fruit. De kisten kunnen gevuld worden.
In Reijmerstok pikken we Corrie, Hanny en Elly op. Zij slapen in een pension, omdat Rowan in het hotel, Gasthof Euverem, slechts een beperkt aantal kamers voor gebruik door één persoon kon reserveren.
Terwijl de groep de ontbijtruimte en de binnenplaats bewondert, betaalt Rowan de rekening van het verblijf van Corrie, Hanny en Elly.
Als complete groep, tien personen, lopen we over het plateau van Margraten. Om ons heen is het vrij vlak. En kaal. Gelukkig is er aan weerszijden van het pad veel begroeiing te vinden. Zeker daar waar het pad enigszins verdiept ligt. Opnieuw komen we dassenburchten tegen.
De Amerikaanse Erebegraafplaats is indrukwekkend. In meerdere opzichten. Er staan duizenden witte kruisen. De namen van vermisten staan vermeld op een meterslange muur. Er is een kapel in een toren. En het terrein is groot. Via de doorgaande weg Maastricht – Aken bereik je gemakkelijk via de hoofdingang het kerkhof. Rowan denkt, dat er ook een achteringang is. Klopt, maar het hek is op slot. Een onderhoudsmedewerker verleent ons toegang. Voor slechts één keer.
De route over een idyllisch zandweggetje komt te vervallen. We gaan over asfalt naar Margraten. In dit dorp kunnen we op het terras van café Chriske genieten van koffie/thee met “iets erbij”. Ook vandaag is dat vlaai.
Twee smalle paadjes brengen ons terug in het buitengebied. Buurtschap Termaar wordt gepasseerd. We bereiken natuurgebied Vosbosch. Hier zijn grazige hellingen, solitaire bomen en stukken bos te vinden. De lunchpakketjes zitten nog geheel of ten dele in onze rugzakken. Rowan last een extra pauze in. Het wordt een zomerse picknick. In de zon is het bijna te warm. Wil legt daarom haar jas over haar hoofd.
In Gasthof Euverem mogen we nog één keer aanschuiven. Voor soep.
Reisleider Rowan sluit af met een toespraakje. De mooiste belevenissen van de Zuid-Limburgtocht passeren kort de revue.
Bericht geplaatst door Rowan Koster op donderdag 11 december 2014


PEELTOCHT, vanuit Meijel
vrijdag 21 t/m zondag 23 november 2014

vrijdag
Nabij de toren van de Sint-Nicolaaskerk, ligt het Oranje hotel.
Gea en Leon de Bruin zwaaien hier de scepter. Zij voorzien ons van koffie en thee. Naast het kopje ligt een “chocoladebal”. Voor de koffiedrinkers staat tevens een klein glaasje met likeur en slagroom klaar.
Gesterkt door deze consumptie lopen we naar buiten. We staan te trappelen, om de Peel in te gaan.
Via een plein met winkels lopen we naar de rand van het dorp. Al gauw komen we op een zandweg terecht. Hier is het rustig.
In de verte lonkt een brede houtsingel. Er zit nog aardig wat blad aan de bomen. Hier en daar zijn mooie herfstkleuren te ontdekken.
In de bosstrook blijken twee kanalen te liggen. De Helenavaart, achter dicht struikgewas, niet te zien en het Kanaal van Deurne, vlak voor onze voeten. De grote veenontginners, de familie Van der Griend en de gemeente Deurne, konden het niet eens worden als het ging, om het onderhoud en het gebruik van de kanalen. Voor de gemeente Deurne zat er daarom niets anders op, dan zelf een kanaal te graven. Evenwijdig aan de Helenavaart(!).
Een kilometer verderop, komen we bij een ander kanaal, de Noordervaart. Napoleon wilde vanuit de Schelde een rechtstreekse verbinding over het water naar de Rijn maken. Begin negentiende eeuw was het werk een heel eind gevorderd. Tot het dorp Beringe, drie kilometer links van ons. Daar eindigt de Noordervaart tot op de dag van vandaag abrupt.
Bij een voormalige brug met loswal (“de stoep”), is een eetcafé. Een leuk adres voor koffie/thee met abrikozen-, kersen- of appelvlaai. De meesten van ons kiezen voor abrikozenvlaai. De voorraad is echter beperkt. Gelukkig blijken de kersen- en appelvlaai ook lekker te zijn.
Even een stukje langs een drukke weg en dan het bos in. Op weg naar een recent gegraven plas.
In aansluiting op een “peelrestant” (Grote Moost) wordt een stuk landbouwgebied heringericht. Bulldozers zijn zelfs nog bezig. In de toekomst zal dit een gevarieerd moeras worden. En wellicht gaat er weer veenmos groeien.
Aan de rand van het Spaanse Bos –in de zon- eten we ons brood op. Kort daarna maken we opnieuw kennis met nieuwe natuur. De Neerpeelsebeek kronkelt weer als vanouds door het landschap.
De meeste wegen en paden zijn nog altijd kaarsrecht. Om niet al te veel over asfalt te lopen, kiest reisleider Rowan een “avontuurlijk pad” uit met veel bramen en varens. Aan het eind nog even oppassen voor prikkeldraad, dat half verscholen tussen de begroeiing op de grond ligt.
De schemering is ingevallen als we het dorp Meijel bereiken. Door verschillende woonstraten trekt een stoet stoere wandelaars richting het hart van het dorp.
’s Avonds kunnen we ons tegoed doen aan een overvloedig maal. Naast een stuk vlees of vis op het bord, zijn er schaaltjes, waar je naar believen, salade of groenten uit kunt scheppen. We zitten gezellig bij elkaar aan een lange tafel.

zaterdag
Het Oranje hotel telt 9 kamers. Niet genoeg, om ons allemaal te huisvesten. Drie deelnemers zijn daarom ondergebracht in een pension op twee kilometer afstand.
Na het ontbijt lopen we met twaalf personen naar “Bed and Breakfast De Peelberg” tussen de dorpen Meijel en Neerkant. Om Sonja, Dick en Carien op te pikken en om te kijken, hoe hun onderkomen er bij daglicht uitziet.
Gezamenlijk gaan we verder. Naar de rand van het Nationale Park. Regelmatig speuren we de lucht af. Zou er een groep kraanvogels overkomen? Nee. Wel krijgen we een buizerd in het vizier. En een groep rietganzen (om precies te zijn de ondersoort “taigarietgans”) is zo vriendelijk, om over onze hoofden te vliegen.
We gaan een stukje heide op. Rechts ligt het uitgestrekte hoogveen. Rowan vertelt, dat in een volledig gaaf hoogveen vrijwel geen bomen en struiken groeien. Zodra een hoogveen iets droger wordt, gaan er massaal berken, adelaarsvarens en pijpenstrootje groeien.
De echte kennismaking met de Groote Peel vindt ’s middags plaats. Na de pauze in het bezoekerscentrum.
We lopen naar de vogelkijkhut aan de oostoever van de Meerbaansblaak. Er zwemmen slechts een beperkt aantal eenden (waaronder twee wintertalingen) op de plas. We gaan nog wat dieper het veen in. We komen bij een uitkijktoren. Op de trap is de groepsfoto gemaakt.
Het beloofde knuppelpad komt in zicht. In het water zien we veenmos groeien. Er is een soort met roze tot vrijwel witte blaadjes.
De afsluiting van het Nationale Park blijkt minder groot te zijn. Het gebied “Aan het Elfde” is toch toegankelijk. Rowan past gelijk de route aan.
We steken de provinciegrens over. In Noord-Brabant doen we een rondje tussen twee meren door. Het pad ligt maar heel iets hoger dan het water. Hier en daar moeten we goed opletten, waar we onze voeten neerzetten.
Bij gebrek aan een bank, strijken we neer op het gras van de “dijk”, die precies op de grens ligt van Limburg en Noord-Brabant. Voor een verlate lunchpauze.
Aan de rand van het Nationale Park komen we enkele vogelaars tegen. Zij wachten op de komst van kraanvogels.
Wij gaan verder en houden alle grote vogels boven ons nauwlettend in het oog.
Opnieuw zijn er ganzen. En een grote zilverreiger. Maar de kraanvogels blijven weg.
Het tempo gaat iets omlaag. Zodat we als complete groep het dorp bereiken. De laatste kilometers voeren door een bos met crossbaan en bungalowpark. Af en toe zien we de slanke torenspits van Meijel. Langzaam maar zeker, komt de kerk dichterbij.

zondag
Reisleider Rowan heeft op zijn kamer zitten puzzelen. Gaan we op en neer naar Helenaveen lopen, of is het beter om een deel van de afstand per auto te overbruggen?
Rowan besluit tot het laatste. Om 09.15 uur rijden vijf auto’s weg. Vier worden er op een parkeerplaats in Helenaveen gezet. Vervolgens stappen de chauffeurs in de auto van de reisleider, die terugrijdt naar het hotel.
Om 09.40 uur zijn we weer te voet onderweg. Eerst maar eens naar het “dorpsbos” lopen. En dan doorsteken naar het Kanaal van Deurne.
Vlakbij het water is een boom doorgeknaagd. Dit moet een bever hebben gedaan. Maar zitten die beesten hier dan? Een bever op doorreis? Wie het weet mag het zeggen.
Achter het Kanaal van Deurne blijkt inderdaad de Helenavaart te liggen. De oevers van beide waterlopen zijn zwaar bebost.
Bloeiende cosmea’s (soort aster met roze bloemen en geel hart) omzomen een akker.
Bosjes, moerassen, piepkleine stukjes heide en grote akkers wisselen elkaar af. Een tractor heeft diepe sporen achter gelaten. Wij moeten uiterst links of rechts, of precies in het midden lopen.
Een bankje in de zon, nodigt uit tot een pauze.
Via het buurtschap “Belgenhoek”, komen we weer bij het kanaal. Deze volgen we een tijdje.
Nadat we onder de snelweg door hebben gelopen, slaan we linksaf de Aardbeiweg in.
Het was de bedoeling, dat Helenaveen na de ontginning een tuinbouwcentrum zou worden.
Dit doel is ten dele gerealiseerd. We zien verschillende kassen om ons heen staan.
Of deze bedrijven er in de toekomst nog steeds zullen zijn, is echter de vraag. Want de overheid heeft inmiddels andere plannen met Helenaveen en omstreken. Het uitbreiden van natte natuur heeft de hoogste prioriteit gekregen. Twee hoogveengebieden (Mariapeel en Deurnese Peel) moeten weer “levend” worden. Het waterpeil moet omhoog, zodat veenmos weer kan gaan groeien. Voor intensieve landbouw zal steeds minder plaats zijn.
Helenaveen is vernoemd naar de vrouw van veenontginner Jan van der Griend, Helena Panis. Aan de voet van een boom, vlakbij eetcafé De Halte, komen we een bijzondere paddenstoel tegen: de oranje bekerzwam. In de horeca zelf, kunnen we ons tegoed doen aan apfelstrudel of warme wafel.
De lunchpauze stellen we uit. Onze magen zitten nog te vol. Eerst een flink stuk lopen.
Langs de gereformeerde kerk en de voormalige turfstrooiselfabriek.
Er is nog tijd, om een kort rondje door de Mariapeel te doen. En om de inhoud van onze lunchpakketten geheel of gedeeltelijk te verorberen.
De terugweg gaat door bos. En langs een wijk (zijkanaaltje). Het graspad houdt ineens op.
De reisleider heeft zich vergist. Er is geen brug over het water. Dus terug. Naar een driesprong. Daar gaan we links. Recht op Helenaveen af.
In het dorp stappen we in de auto’s en om klokslag vier uur zijn we bij het hotel.
Hier zitten we nog even bij elkaar voor een kop soep. Van tevoren hebben we onze keuze doorgegeven. Mosterd-, tomaten- of preisoep.
Bericht geplaatst door Rowan Koster op zaterdag 6 december 2014


TEXELTOCHT, 30 mei t/m 1 juni 2014

Vrijdag 30 mei
Na een lange periode van wisselvallig weer zijn de voorspellingen voor de komende dagen goed. Op de boot naar Texel schijnt geregeld de zon en de meeuwen halen hun maaltijd op. Op de afgesproken tijd staan alle deelnemers al klaar in het hotel. De meesten hebben de voucher voor de koffie met huisgemaakte appelgebak al verzilverd. Na de kennismaking en de uitleg wat ons allemaal te wachten staat, stappen we in de auto om naar Den Burg te gaan voor de start van de eerste wandeling. Deze tocht voert ons over de Hoge Berg, wel 15 m. boven NAP! Hier zien we meteen enkele kenmerken van Texel; tuunwallen en schapenboeten. Een kort uitstapje naar het Doolhof waar we via de pannenkoeken de immense bank bereiken. De brouwerij van het Texelse bier lopen we helaas voorbij. Het weer is helemaal opgeklaard maar het windje is nog wel fris. We vervolgen onze weg langs de Wezenputten en over het Skillepaadje naar Oudeschild. Na het Jeneverbuurtje wacht ons een verrassing in de Zeemanskerk. Een jeugdkoor uit Ede trakteert ons op een paar prachtig uitgevoerde liederen. Wat een passie heeft die dirigent. Hoogste tijd voor koffie met aan de haven. Na de appeltaart van vanmorgen kiezen de meesten voor de ‘hoornderring’. Over de dijk lopen we naar fort De Schans, ooit gebouwd voor de verdediging van de vele schepen die op de Rede van Texel voor anker lagen. We staan stil bij de Georgische begraafplaats. Een vrijwel vergeten tragedie aan het einde van de 2e Wereldoorlog. Tussen de hier en daar van zuring roodgekleurde weilanden met drinkkolken op keileem door bereiken we de auto’s weer. Zo loop je bijna ongemerkt door de recente geschiedenis van de VOC periode tot heden. In het hotel staat Angeline al op ons te wachten en zijn we compleet. ’s Avonds wordt ons een prima 3-gangen diner geserveerd. Het is 7-1 voor de parelhoen. Het voordeel van een kleine groep is dat je gezellig kunt keuvelen met iedereen aan tafel.

Zaterdag 30 mei
Op deze zonnige dag en lekkere temperatuur met een licht briesje uit het noorden rijden we met enig oponthoud, plassende koeien op de weg, naar het karakteristieke kerkje van Den Hoorn voor een tocht over de zuidwest hoek van Texel. De toren van deze kerk zullen we vandaag nog vaak zien vanuit de duinen. Dit dorpje kenmerkt zich door de vele kleine huisjes waar vroeger loodsen woonden. Vanaf het hoogste duin, Loodsmansduin, streden ze om de klandizie van de binnenkomende VOC schepen. Op een uitkijkpunt aan de Mokweg heb je een prachtig uitzicht op de Mokbaai met de veerboot op de achtergrond en vele soorten wadvogels op de voorgrond. In de Geulplas zagen we bergeenden, ganzen, aalscholvers en een havik achtervolgd door een buizerd.

Lopend tussen de Horsmeertjes vlogen enkele lepelaars over. In de natte duinvalleien zie je de enorme plantenrijkdom. De gevlekte orchis begon net te bloeien maar de velden met gele lis waren al over hun hoogtepunt heen. Op een boombank tijd voor een hapje. Na wat mul zand en een alarmerende wulp (jawel, die snavel wijst naar je ….) bereikten we het strand. Sommigen op blote voeten, korte broek en korte mouwen. Wat een verschil met vorig jaar. Noorderhaaks met de Razende Bol stond helemaal onder water. Bij Paal 9 wacht Elly H. ons op en testen we huisgemaakt appelgebak bij de koffie. Dan weer verder struinen door de duinen. Door het grootste bos van Texel, op naar de Fonteinsnol. De flora aan de randen van de duinrellen is Texelse natuur op z’n best. Een fotograaf maakt ons attent op de glasvleugelpijlstaart. Het is verbluffend hoe schoon de lage wandelschoenen en hoe wit de sokjes van Lydia blijven na een paadje door de natte natuur! De Skuumkoppe op het terras smaakt best en genieten we na van een zeer afwisselende route. Vandaag is het 5-3 voor de zalm maar beide gerechten voldoen weer helemaal aan de verwachtingen.

Zondag 1 juni
Alweer wacht ons een mooie dag. Voor het eerst gaan we fietsen, direct vanuit het hotel. Via het vliegveld karren we naar de Slufter. Op het duin zien we de parachutisten naar beneden komen die we op het vliegveld zagen instappen. Een korte wandeling door de zilte natuur met Engels gras, lamsoor en zeekraal is een welkome afwisseling. In de verte de vuurtoren van De Cocksdorp, ons volgende doel. Maar eerst koffie met op het terras. In het vergelijkend warenonderzoek vinden we dit de minste appeltaart. Dan weer op ons ros door de duinen naar de noordelijkste punt van Texel. Na de vuurtoren zakken we via de oostkant naar beneden met het windje in de rug. Je hebt daar een machtig wijds uitzicht over de schorren met vele eidereenden en scholeksters. Wat we in de Slufter hebben gemist krijgen we dan toch; foeragerende lepelaars van dichtbij. Tijdens ons broodje aan een picknicktafel worden we ineens opgeschrikt. De reden wordt meteen duidelijk: ”Ik zit op mijn slangetje.” Via het Jeruzalem van het noorden (Oosterend) en De Waal doorgestoken naar het hotel. Daar wacht ons nog de heerlijke tomatensoep als afscheid. Op weg naar de boot bleken we niet de enigen die naar het vaste land wilden. Voor de beide chauffeurs duurde het verblijf op Texel 1½ uur langer dan verwacht.
Bericht geplaatst door Rowan Koster, in opdracht van Nico Beers op maandag 27 oktober 2014


Algarvetocht, 7 tot en met 14 april 2014

maandag 7 april
Vroeg op de ochtend troffen wij elkaar op Schiphol. Om 05.00 uur was iedereen present en konden we met de incheckprocedure beginnen.
Terwijl reisleider Rowan en deelnemer Kerst formulieren invulden bij het autoverhuurbedrijf, kon de rest van de groep in een cafetaria op het vliegveld op krachten komen met een kop koffie of thee. En “iets erbij”.
De bagage werd in twee voertuigen geladen, een Fiat-busje en een gloednieuwe Peugeot- personenauto. Een kwestie van stapelen, passen en meten en wat zweetdruppels.
Na een rit van circa 100 kilometer bereikten we aan het einde van de ochtend Hotel Mira Sagres in Vila do Bispo.
Ondanks de lange reis en de korte nacht met weinig slaapuren, had iedereen zin, om het dorp in te gaan en de omgeving te verkennen.
Eerst maar eens naar de watertoren op de heuvel. Via het plein bij de kerk en smalle straatjes naar boven. Vervolgens afdalen naar het wat nieuwere deel van Vila do Bispo.
Hier hebben we op het terras van een cafetaria wat te drinken en te eten besteld.
Voorbij de Mercado Municipal (overdekte markt) zijn we het dorp uit gelopen. De golvende heuvels tegemoet. Na ruim twee kilometer een groene vallei (Castelejo) met dennen. Om ons heen heel veel bloemen en stilte.
’s Avonds uit eten. In het eenvoudige familierestaurant tegenover het hotel. Vader staat in de keuken, zoonlief zet de gerechten op tafel. Moeder is ook aanwezig. Zij bereidt de maaltijden voor.

dinsdag 8 april
We starten opnieuw met mooi weer. We lopen in zuidelijke richting. Over een brede grindweg. Grauwe gorzen begeleiden ons met hun “rateltje”. We horen tevens graszangers en een nachtegaal zingen.
We verlaten de brede weg en gaan via koeienpaadjes door een vallei. In de schaduw van een paar bomen is een houten onderkomen gebouwd. De bewoners zijn hun terrein aan het afbakenen. Waarschijnlijk staan er volgend jaar bordjes met “verboden toegang”.
Een enkele maal moeten we over een afrastering stappen. Ook steken we een beekje over.
Tussen wit en roze bloeiende cistusrozen banen we ons een weg. De struiken maken plaats voor kardoendistels. Twee verlaten akkers. Dan opnieuw een brede zandweg. We gaan links en volgen de markering van de Via Algarviana.
Bij een kapel, wordt het dekentje van reisleider Rowan uitgespreid. De picknick in de buitenlucht kan beginnen. Al gauw kan iedereen genieten van een of meerdere broodjes. Kaas is favoriet. Al dan niet aangevuld met komkommer en/of tomaat. Maar er is ook salami. Of hazelnootpasta.
Het “einde van de wereld” laat op zich wachten. De kaap met de vuurtoren komt nauwelijks dichterbij. Niet erg, want vlakbij de kust is van alles te zien. Bloemen in vele kleuren en formaten. Heel opvallend zijn de ijsbloemen. Ook wel Hottentotvijgen genoemd. We lopen naar de rand en zien beneden het oceaanwater tegen de steile rotsen beuken.
Links van ons staat een groot gebouw. Je kunt er koffie drinken en souvenirs kopen. In het restaurant kom je –heel verrassend- grote opgezette dieren tegen. Ondermeer een giraffe.
Wij blijven binnen en drinken op ons gemak koffie, thee, bier of verse jus d’orange. Gebakjes zijn er ook.
Bij de kaap (Cabo Sao Vicente) is het veel drukker. Er staan verschillende kraampjes langs de weg. Ook is er een snackwagen, waar braadworst (de laatste mogelijkheid voor Amerika) wordt verkocht.
Het diner in restaurant Ribeira do Poco verloopt naar wens. De medewerkers verstaan hun vak. Van te voren heeft iedereen een keuze kunnen maken uit een vlees- of visgerecht.

woensdag 9 april
Geen strakblauwe lucht deze morgen. Wolken hebben de overhand.
Een korte rit brengt ons in het dorp Raposeira. We stappen uit en gaan op weg naar de eerste heuveltop. De (graan)velden om ons heen zijn bont bespikkeld. Met het roze van wilde gladiolen, het geel van ganzenbloemen, het wit van kamille en het blauw van een windesoort.
Bij een camping raakt Rowan even het spoor bijster. Waar is het paadje gebleven, dat richting het Ingrina-strand voert? Laten we in ieder geval naar links gaan en aan de andere kant van het valleitje rechts aanhouden. En ja we zitten goed. De oceaan komt in zicht.
Bij het volgende strand, Praia da Zavial, strijken we neer op het terras van een café-restaurant. Eerst drinken we koffie of thee. Met eventueel een stuk gebak erbij. De zon wil niet echt doorkomen. Wel is er veel wind. De lunch gebruiken we daarom binnen. Iedereen kan een sandwich of baguette bestellen. Op de borden wordt tevens een flinke portie friet gedeponeerd. Lekker, maar een beetje te veel van het goede.
Harry blijft op het strand van Zavial. De rest van de groep gaat verder. Over grote rolkeien. En direct daarna mogen we een kaap beklimmen. Uit het water rijzen geel, wit en roodgekleurde rotsformaties op.
Praia de las Furnas ligt heel beschut tussen de heuvels. Je komt er niet zo maar. Er is geen asfaltweg. Wij hebben het extra moeilijk, omdat we van boven komen. Zigzaggend over een steile helling, dalen we –heel voorzichtig- 50 meter af.
De zon laat zich inmiddels volop zien. We keren de oceaan de rug toe en gaan het binnenland in. Zand- en asfaltwegen brengen ons terug naar Raposeira. In de schaduw van reuzenriet houden we nog even halt.

donderdag 10 april
Na drie nachten nemen we afscheid van het “stadje op de heuvel”. De bergen van Monchique lonken.
Eerst doen we Aljezur aan. Een flinke plaats met een oud en nieuw gedeelte. Het historische hart ligt aan de westkant van een rivier. Op een heuvel ligt een ruïne. Hier stond in de Middeleeuwen een Moorse burcht. De meesten van ons gaan naar boven en maken een rondje langs de restanten van een cisterne (wateropslagplaats) en magazijnen.
Bij de rivier installeren we ons in de zon. Met koffie, thee en royale punten gebak binnen handbereik.
Net na de middag bereiken we kuuroord Caldas de Monchique. In een beschut dal, liggen –in het groen verscholen- statige gebouwen. Enkele daarvan zijn ingericht als hotel.
Ook is er een winkel, zijn er werkplaatsen van kunstenaars, een kapel en een wijnbar.
Iedereen kan op zijn of haar gemak rondkijken.

vrijdag 11 april
In het centrum van Monchique zijn reeds veel mensen op de been. Want aan de rand van het stadje -zo ontdekken wij- staan in het kader van een markt een groot aantal kramen opgesteld. Wij lopen gewoon door, de stilte tegemoet.
Eerder heeft Rowan samen met een paar deelnemers lunchinkopen gedaan. Het brood, het beleg, het fruit en de andere etenswaren zijn reeds verdeeld over de rugzakken.
De 772 meter hoge Picota, is ons doel. We gaan echter nog niet klimmen. Want een stukje naar beneden voorbij een bos met kurkeiken, ligt een lieflijke vallei. Met een stroompje, boomgaardjes, wijngaarden, kleine lage huisjes en smalle paadjes tussen stenen muren.
We komen weer op een asfaltweg. Deze gaat stevig omhoog. Kurkeiken zorgen opnieuw voor schaduw. Hoger op de helling liggen grote stukken ruwe kurk opgestapeld.
We pauzeren even. Uithijgen. Wat eten en drinken.
De kurkeiken maken plaats voor eucalyptussen. Geregeld worden we door een “menthol”-geur omringd. Op de grond liggen overal lange repen bast. Ondergroei is er nauwelijks. Boven op de kam is de vegetatie veel gevarieerder en kunnen we een heel eind richting de kust kijken. Op grote rotsblokken in de zon eten we onze lunch op.
Een stukje terug hebben we een Nederlander bij zijn huis ontmoet. Hij heeft zich samen met zijn vrouw ontfermd over een stel zwerfhonden. Ook is er een paard bij hun “afgeleverd”. Het dier was broodmager. Door de goede zorgen, hij wordt dagelijks uitgelaten, heeft het dier weer een enigszins normaal gewicht.
De top met de observatiepost is niet ver meer. Naar boven en naar beneden klauteren we over donkergrijze rotsen.
Op de terugweg naar Monchique komen we opnieuw door een kurkeikbos. Er staan bomen met indrukwekkende afmetingen. Monchique is een langgerekte plaats. We staan niet direct op het centrale plein. Bovendien kiest Rowan voor een omweg. Hij voert de groep door een dal met huisjes en kleine akkers en ook een helling, de laatste van vandaag, ontbreekt niet.
We kunnen met een drankje uitblazen op een terras. En de chauffeurs komen voorrijden.

zaterdag 12 april
Gisteren de Picota, vandaag de Foia. Honderd dertig meter hoger.
We kunnen echter gelijk met klimmen beginnen. Achter een grote begraafplaats duiken we het bos in. Een restaurant laten we rechts liggen. De koffie komt straks. Eerst verder omhoog. Over een smalle asfaltweg. Richting het zuiden hebben we een wijds uitzicht. We zien in de verte een racecircuit liggen.
Voorbij een nieuwe villa met groot zwembad gaan we weer naar beneden. Zo’n 100 meter. Een hoogteverschil, dat we na de koffie opnieuw moeten overbruggen. Leuke jongen die Rowan!
De koffie smaakt prima. En het gebak mag er ook zijn. In een zijvertrek staan verschillende taarten uitgestald in een vitrine.
De volgende klim laat nog even op zich wachten. We lopen achter elkaar over de doorgaande weg. Bij een huis met oprijlaan gaan we naar boven.
Met een lus bereiken we de hoogste top (902 meter) van de Algarve. Een eenzame plek is de Foia bepaald niet. Er staan overal antennes. Er zijn gebouwen. En er is volop parkeergelegenheid. Toch is het vandaag rustig. Want het restaurant is –op zaterdag(!)- gesloten. De stoelen en tafels op het terras zijn gewoon blijven staan. Zodat we zittend boterhammen kunnen smeren.
De terugweg zit wat logischer in elkaar: alleen maar afdalen.
Bij de restanten van een klooster hebben we geluk, een man gebaart ons, dat we verder mogen komen. Hij doet een paar deuren voor ons open. We komen op een binnenplaats met grote bomen en een stel kippenhokken. Ook kunnen we de “kerk” in. Een stuk van het dak is nog intact.
In Monchique wacht Rowan een verrassing. Zijn moeder en haar Duitse vriend Wolfgang duiken ineens op, wanneer we een drankje bestellen. ‘s Avonds eten zij mee. Na het diner laat Wolfgang in de wijnbar aan een select gezelschap horen, dat hij het zingen en gitaar spelen nog niet is verleerd.

zondag 13 april
De Foia staat opnieuw op het programma. Ditmaal gaan we er vanuit het zuidwesten naar toe. We zetten de beide voertuigen op een parkeerplaats op 750 meter hoogte. Met een wijde boog gaan we richting de top. Onderweg vertelt Rowan, dat in het verleden diverse boerengezinnen met hun vee de hele zomer rondzwierven op de hellingen van de Foia. ’s Nachts sliepen deze mensen in eenvoudige stenen of houten hutten. Ook verbouwden ze hier en daar graan. Indien mogelijk werd er ook hooi geoogst. Anno nu wonen er vooral buitenlanders in de bergen. In de maanden juli en augustus is het hier koeler dan langs de kust.

Boven op de Foia is de deur van het restaurant geopend. We kunnen nu wel naar binnen.
Over de asfaltweg keren we terug naar het minibusje en de auto. We halen de spullen voor de lunch tevoorschijn. Alvorens we starten met het tweede gedeelte van de wandeling, rijdt Rowan op en neer naar Caldas de Monchique. Om Harry en Netty bij het hotel af te zetten.
Als we afdalen heeft de temperatuur zomerse waarden bereikt. Gelukkig lopen we veel door bos. Ook in het dal van Pé do Frio de Baixo is er schaduw. Een wankel bruggetje brengt ons naar de overkant van een stroompje. Kort daarna verschillende citroenbomen, die vol hangen met vruchten.
Een lange klim door een eucalyptusbos tot besluit. Met bijna boven een stel moderne windmolens. Achter een berg staan het busje en de auto. Ze komen pas heel laat in zicht.
Ook vanavond laat Wolfgang zich niet onbetuigd. Hij neemt wederom de gitaar ter hand. De aanwezigen in de wijnbar smeren de keel met een wijntje, portje of regionale “schnaps” en zingen vervolgens mee.

maandag 14 april
In de loop van de middag hoeven we pas op het vliegveld te zijn.
We kunnen de ochtend nog doorbrengen in Caldas de Monchique. Ook is er tijd, om uitgebreid te lunchen.
Rowan heeft een wandeling in de omgeving op het programma staan. De meeste deelnemers gaan mee. Yvonne en Wolfgang zijn ook van de partij.
We volgen enige tijd een smal weggetje. Met om de paar honderd meter een huis.
Een onverhard pad naar rechts ziet er uitnodigend uit. Het wordt omzoomd door een zee van bloemen. Heel veel cistusrozen, waaronder de kleverige cistus met grote uiterst opvallende witte bloemen. Heel mooi zijn tevens de donkerrood gekleurde honingmerken.
We komen bij een quinta (hereboerderij) uit. Hier vlakbij is een parkeerplaats ingericht voor campers. Rowan adviseert zijn moeder, om niet verder te lopen. Het tempo van de groep is wat te hoog voor haar. Na afloop van de wandeling zal Rowan zijn moeder en Wolfgang ophalen.
Deze duurt wat lager dan verwacht. Een hek op een brug over een riviertje blijkt op slot te zitten. De reisleider heeft hier duidelijk niet op gerekend. Hij probeert een ander paadje uit, dat helaas doodloopt. Een steile grazige helling staat ons in de weg. We moeten via een brede grindweg terug naar de hoofdweg. Een ander hek blokkeert opnieuw de doorgang. Het gaas naast het hek blijkt mee te geven. Rowan drukt met zijn lichaamsgewicht het gaas naar beneden. We kunnen verder.
Ondanks de opgelopen vertraging is er tijd genoeg om te lunchen op de binnenplaats.
En we kunnen in normaal tempo naar het vliegveld rijden. Halverwege stapt Corrie in Guia uit, zij verblijft nog een week extra in de Algarve.
Bericht geplaatst door Rowan Koster op maandag 27 oktober 2014


Lanzarotetocht, Canarische Eilanden, Spanje
26 januari tot en met 2 februari 2014

zondag 26 januari

De zon gaat onder, als we met twee minibusjes de luchthaven van Lanzarote verlaten.
De schemering valt snel in. In het donker bereiken we Costa Teguise, de kustplaats, waar ons hotel is gelegen.
Iedereen kan zijn of haar bagage op de kamer zetten. Of beter gezegd, we hebben allemaal een studio of appartement tot onze beschikking. Compleet met badkamer en balkon of terras. De meeste deelnemers kunnen bovendien gebruik maken van een keukenblok (fornuis, koelkast).
In het grote restaurant van hotel Barceló la Galea mogen we ons zelf bedienen. Er is volop keus. Variërend van salades, pastagerechten, worstjes tot gebakken vis. Ook het buffet met nagerechten is uitgebreid.

maandag 27 januari

De eerste wandeling van deze reis start om 10.15 uur. Voor die tijd zijn er boodschappen gedaan. We gaan immers in de buitenlucht onze lunch klaarmaken. En de chauffeurs Adrie en Rowan zijn op en neer gereden naar Guatiza. Eén busje is bij het eindpunt van de wandeling, de cactustuin, achtergebleven.
Costa Teguise is vanaf de tekentafel ontworpen. Veertig jaar geleden werden de eerste huizen en hotels gebouwd. Kunstenaar en architect César Manrique ontwierp een “vissersdorpje” (Pueblo Marinero) met steegjes, pleintjes en lage huisjes. De strandboulevard brengt ons naar het grote hotel Gran Meliá Salinas, eveneens een creatie van Manrique. Rondom een lagune staan appartementen zij aan zij. Op een eilandje staat een restaurant, dat via twee boogbruggen te bereiken is.
Het geplaveide pad met bankjes en lantaarnpalen houdt op. Over een grindweg gaan we verder. Een kwartier later klauteren we tussen de stenen omhoog.
Het paadje stijgt en daalt voortdurend. Voor sommigen van ons is het wennen. Waar zet ik mijn voeten neer? En hoe bewaar ik mijn evenwicht?
Costa Teguise verdwijnt uit het zicht. Rechts de Atlantische oceaan. En naar het noorden een vlak kaal gebied met in de verte een reeks vulkanen en de witte huisjes van een dorpje.
Op de bodem van een droge rivierbedding, uit de wind, halen we broodjes, beleg, drinken, fruit en andere lunchspullen tevoorschijn.
Het dorpje Los Cocoteros komt langzaam maar zeker dichterbij. Nog een keertje steil naar beneden, even kijken bij de zoutpannen en dan de eerste huizen.
We zijn er echter nog niet. De cactustuin bevindt zich in Guatiza, dat wat hoger in het binnenland ligt. Bij een witte villa verlaten we de kust. In de zon, het kwik is tot boven de 20 graden opgelopen, naar boven. Op een stenen muurtje even bijkomen. Rowan deelt “tucjes” (met olijfolie en rozemarijn) en cranberries (met yoghurtomhulsel) uit.
Voor ons strekt zich het dorp uit. Tussen de huizen liggen percelen met vijgencactussen. Op deze planten zitten luizen, die wanneer ze gekookt en vermalen worden een fraaie kleurstof (cochenille) opleveren.
César Manrique wist een oude steengroeve om te toveren tot een fraaie tuin. Cactussen en vetplanten uit verschillende woestijngebieden staan hier gebroederlijk bijeen. Op het terras van de cafetaria sluiten we de wandeling af met een drankje en een broodje of gebakje naar keuze.

dinsdag 28 januari

We gaan opnieuw naar het noorden. Met de busjes verplaatsen we ons naar Máguez.
In dit dorp rijdt Rowan een extra rondje, omdat hij de begin- en lunchplek van de wandeling, een kleine kerk, over het hoofd zag.
Het is niet ver naar de koffiestop. Ruim een uur hebben we nodig, om in het dorp van de duizend palmen, Haría, te komen. In het centrum strijken we neer op een terras. Om ons heen staan hoge dicht bebladerde laurierbomen, een zeldzaamheid op Lanzarote.
Een mandenmaker vertoont zijn kunsten. Palmtakken staan aan de basis van zijn producten. Achter een groot voetbalcomplex begint de Malpaso-vallei. We stijgen. Even is er geen pad meer. We moeten een paar keer over een muurtje klimmen.
Tussen twee bergen is een opening. Hier kunnen we genieten van een wijds uitzicht. Beneden is een heel stuk van de noordwestkust goed te zien.
Via een andere weg keren we terug naar Haría. Aan het begin van het dorp vliegen twee hoppen (okergele vogelsoort met grote kuif) voor ons uit.
Bij het buurtschap Guinate weet een klapekster (grijs witte vogel met zwarte streep over de kop) onze aandacht te trekken. We hebben de lunch dan al achter de kiezen. Ook hebben we nogmaals genoten van een fraai uitzicht. Ditmaal op het eiland Graciosa.
De zon is wat feller gaan schijnen. Maar de koude noordenwind blijft ons hard om de oren blazen. Een grindweg voert het dal uit. Boven slaan we linksaf. We lopen over een vlak stuk van de berghelling. In de verte rijst de Coronavulkaan op.
We stappen in de busjes. We komen opnieuw door Haría. Daarna gaat de weg met een aantal zigzaggen naar boven. We passeren de hoogste berg van Lanzarote, Peñas del Chache 670 meter hoog, op korte afstand.

woensdag 29 januari

Het klimaat van de Canarische Eilanden wordt als subtropisch aangeduid. Normaalgesproken is het overdag nooit koud weer. Op Lanzarote regent het bovendien zelden. Wij hebben de “eer”, om uitzonderingen op deze regels mee te maken.
Als we starten met de wandeling is het droog buiten. Een smal en bochtig “mountainbike-pad” brengt ons naar de andere kant van een heuvelkam. Hier liggen akkers, die met stenen muren zijn omgeven. Een brede muur doet dienst als alternatief wandelpad.
In de kerk aan de oostrand van Mancha Blanca wordt het beeld van de heilige Maria van de Vulkanen bewaard. Het verhaal gaat, dat dankzij haar, in de achttiende eeuw de lavastroom tot stilstand kwam. De deur van de kerk staat open. We gaan even naar binnen.
Ook het kleine café in het centrum van het dorp laten we niet links liggen. Met enige moeite kunnen we voor iedereen een stoel regelen. De kopjes worden gevuld en op de borden komen gebakjes of wafels te liggen.
Als we onze wandeling vervolgen, worden we “getrakteerd” op miezerregen. Op een landbouwweggetje krijgen we ineens een echte bui over ons heen. De meesten van ons zijn doorweekt als we de minibusjes bereiken.
Wat nu? Doorgaan met lopen? Terug naar het hotel? De reisleider komt met een tussenoplossing: het bezoekerscentrum. Hier kunnen we afwachten wat het weer doet. De vooruitzichten zijn niet gunstig. De zon laat het voorlopig afweten.
We kiezen ervoor, om de rest van de dag in Costa Teguise door te brengen. Op de ruime kamer van Rowan gaan we alsnog brood eten. Met warme thee erbij. Het wordt een gezellig gebeuren.
Aan het eind van de middag heeft de reisleider voor de liefhebbers nog een wandelingetje in petto. Want het weer is behoorlijk opgeknapt. Rowan, Marga, Ans, Liesbeth, Adri en Hilda gaan de uitdaging aan. Net buiten Costa Teguise ligt een vulkaan van 229 meter hoog. We besluiten spontaan, om deze heuvel een nieuwe naam mee te geven. We mixen de voorletters van onze namen door elkaar en komen op Malrahvulkaan uit. Het is onze intentie om de top te bereiken. Praktische overwegingen doen ons echter besluiten, om een wat lager gelegen deel van de vulkaan te beklimmen. Ondertussen kijkt Hilda vanaf de voet van de helling toe.

donderdag 30 januari

De rustdag wordt door iedereen op een actieve wijze ingevuld. ’s Morgens staat er een cultureel uitje op het programma en ’s middags gaan we nogmaals naar Mancha Blanca, om over een “zee van lava” een ronde te maken langs vier vulkanen.
De wandeling doen we gezamenlijk. Rond 12.45 uur is de groep compleet. Chauffeur Adrie is met zijn groepje naar het voormalige woonhuis annex werkplaats van de kunstenaar César Manrique in Tahiche gekomen. Daarvoor waren zij bij de vulkaangrot Jameos del Agua. Een bijzonder natuurfenomeen, dat door jawel daar is hij weer, César Manrique, is herschapen in een kleurrijk en artistiek geheel met auditorium en waterbassins. Mooi om even doorheen te lopen. Maar te klein, om een hele ochtend door te brengen. Ans is met een taxi gekomen. En Rowan was met zijn groepje reeds aanwezig in Tahiche. Zij hebben uitgebreid kunnen rondkijken in de onderaardse en bovengrondse vertrekken van het musem.
De weergoden zijn ons beter gezind, als we op de parkeerplaats langs een doorgaande weg uitstappen. Een vlakke grindweg gaat kaarsrecht door de gestolde lava. Om ons heen liggen schots en scheef steenbrokken opgestapeld. Ze zijn zwart, grijs en roestbruin van kleur. Vele zijn bedekt met korstmossen. Planten gedijen hier niet. Daarvoor zijn de uitbarstingen, die hier tussen 1730 en 1736 hebben plaatsgevonden, nog te kort geleden.
Voorbij de derde vulkaan, is er geen pad meer. Steenmannetjes wijzen ons de weg. Behoedzaam lopen we over redelijk vlakke lavaplaten. Af en toe een omweggetje maken, om diepe scheuren of hobbelige stukken te vermijden.
Twee kilometer verderop zorgen hoge muren van lava voor beschutting. We rusten uit en nemen een zonnebad. Het laatste stuk voert – tegen de wind in- over een lange vrijwel rechte onverharde weg.
Zelf je bord vol scheppen met eten is handig. Je kunt nemen wat je lekker vindt. Je moet wel voortdurend van tafel opstaan. En als je weer gaat zitten, zijn de stoelen naast je binnen de kortste keren leeg, want je buurvrouw en buurman zijn op een ander moment toe aan de volgende ronde.
Voor de verandering worden we vanavond uitgebreid bediend. Door enkele obers van restaurant Neptuno. De kwaliteit van het eten is bijzonder goed. Het zijn voor ons Nederlanders bepaald geen alledaagse gerechten. Neem bijvoorbeeld de salade met stukjes walnoten en granaatappel. En de bijzondere combinatie van inktvis met champignons.

vrijdag 31 januari

Volgens de folders is Yaiza het mooiste dorp van Lanzarote. We gaan het met eigen ogen zien. We moeten er een behoorlijk stuk voor rijden. Want Yaiza ligt in het zuidwesten, een heel eind voorbij het vliegveld.
De directe omgeving van de kerk ziet er niet onaardig uit. Een aantal wat oudere statige panden zijn het bekijken waard. En er zijn twee leuke pleintjes.
Na een rondje in en om de kerk, zetten we koers naar het zuidoosten. Naar de restanten van een molen op de kam van een heuvel. Een kudde schapen en geiten haalt ons in. Achter de beesten volgt de herder. In een auto(!).
Beneden nog meer vee. Dromedarissen, ezels, varkens en koeien. Er is een nieuwe boerderij gevestigd, waar de dieren alle ruimte hebben. Indien gewenst kunnen de koeien en varkens ook de schaduw opzoeken. Er zijn afdakjes gebouwd en bomen geplant. Zo kan het dus ook. Hulde aan de eigenaar.
In het nationaal park worden dromedarissen ingezet, om toeristen te vervoeren. Aan het begin van de morgen en aan het einde van de middag trekt er een stoet door het dorp Uga. Een tunneltje zorgt ervoor, dat de dieren geen drukke weg hoeven over te steken. Ook wij maken gebruik van deze onderdoorgang.
In Uga drinken we koffie. Rowan deelt chocolade- en kokoskoekjes uit.
Een stukje voorbij Uga begint de La Geriavallei, het meest bekende wijnbouwgebied van Lanzarote. De meeste druivenstruiken staan in ronde kuilen.
De Guardilamavulkaan (603 meter hoog) komt al gauw in zicht. Wie wil, mag deze berg, na de lunch, beklimmen. Karen Robertson, een jonge vrouw uit Engeland, gaat ook mee naar boven. De reisleider heeft haar in november ontmoet tijdens de voorbereidingen van de Lanzarotetocht. Het uitzicht boven is fenomenaal. Martha, Marga, Ans, Adri, Nienke, Adrie, Ina, Liesbeth, Joke en Rowan kunnen allemaal trots op zichzelf zijn, zij hebben de top van de op drie na hoogste berg van Lanzarote, bereikt.
Karen neemt afscheid van ons. Ze woont vlakbij. Haar tijdelijk onderkomen kunnen wij zien liggen. Op een helling met een dikke laag vulkanisch as “roetsen” wij naar beneden. Het is alsof we door “zwarte sneeuw” lopen.
Bij het café in Uga eindigt de wandeling. Rowan en Adrie halen de busjes op. Zij worden daarbij vergezeld door enkele deelnemers. Onderweg zien zij de dromedarissen van hun werk terugkomen. Een lange karavaan met begeleider.

zaterdag 1 februari

Het is warm, als we Costa Teguise verlaten. Het belooft een zonnige dag te worden.
Nog geen dertig kilometer verder, moeten we onze mening bijstellen. Nevel en miezerregen hebben de overhand. Wandelen is geen pretje. Je kunt nauwelijks om je heen kijken.
Ook voor de reisleider zijn deze weersomstandigheden een verrassing. Hier heeft hij niet op gerekend. Gauw een alternatief bedenken. We gaan nog niet lopen. We rijden een stukje door. Naar Mirador del Río. Niet om van het uitzicht te genieten, maar om binnen wat te drinken en te eten.
Normaalgesproken neemt met de hoogte ook de hoeveelheid waterdamp toe. Met andere woorden: Beneden langs de kust zou het zicht wel eens een stuk beter kunnen zijn. Ook de temperatuur zou zomaar eens vijf graden hoger kunnen zijn. Zo snel mogelijk afdalen dus. Geen eenvoudige opgave, wanneer je op meer dan 350 meter hoogte zit. Maar we hebben weinig keus. We gaan het proberen. Via een reeks zigzaggen gaat iedereen in zijn eigen tempo het hoogteverschil overbruggen. Gertrude moet van deelname afzien. Adrie brengt haar terug naar de Mirador del Río. Een half uur later zien we Adrie als een volleerde berggeit naar beneden komen. We zijn dan zo’n 100 meter gedaald.
De bewolking lost nu snel op. Het eiland Graciosa is goed zichtbaar. De haven en verschillende stranden liggen in de zon.
We lopen tussen lage duinen door en bereiken het strand. Het is hier heel stil. We komen slechts enkele mensen tegen. Ook de vogels zijn niet rijk vertegenwoordigd. Alleen een groenpootruiter en een groep meeuwen vertonen zich. Op de noordpunt van Lanzarote werd vroeger zout gewonnen. De restanten van de bassins, waarin het oceaanwater verdampte zijn nog te zien.
Het is tijd om broodjes te smeren. Rowan en Marga zijn hierin zeer bedreven. De een snijdt, de ander belegt. Kaas en salami worden naar wens aangevuld met stukjes tomaat en/of komkommer. Voor de liefhebbers is er ook hazelnootpasta. Yoghurt en fruit vormen het toetje.
Wat extra brandstof kan geen kwaad, want we moeten dezelfde weg terug. Een zware klim staat ons te wachten. Met veel gepuf, gehijg en gesteun komen we boven. Een applausje voor onszelf!
’s Avonds tijdens het diner nemen we alvast afscheid van ober Salek. Hij heeft ons gedurende de afgelopen week op een uiterst plezierige wijze van drankjes voorzien. Zijn mooie zwarte krullen en zijn gulle lach zullen we missen.

zondag 2 februari

Vanavond vertrekt ons vliegtuig. Daarvoor moeten we ons nog zien te vermaken.
In Costa Teguise en op het vliegveld.
Tussen het ontbijt en de lunch kan er ook nog gewandeld worden. Adri, Annie, Margreet, Ina, Marga, Liesbeth, Gertrude en Hilda besluiten om mee te gaan met de reisleider.
Voor de derde maal deze week rijdt hij naar de omgeving van Mancha Blanca. Iets ten westen van het dorp ligt de “witte vulkaan” (Caldera Blanca). Deze gaan we beklimmen en we lopen een stuk over de kraterrand.
Waar de grindweg ophoudt, begint een paadje door de “lavazee”. Dit woeste en lege landschap blijft indrukwekkend. Aan de voet van de eerste vulkaan duikt uit het niets een man op een ezel op.
De overwegend wit gekleurde helling van de Caldera Blanca komt naderbij. Een niet al te steil pad brengt ons naar het laagste punt van de kraterrand. Vanaf hier kunnen we naar beneden kijken. Naar de bodem van de krater, waar verschillende schapen lopen. Wij mensen kunnen hier niet zo gemakkelijk komen. In tegenstelling tot de meeste vulkaankraters op Lanzarote is er geen echte uitgang. Overal rijzen hoge rotswanden op. Een flink deel van de kraterrand is wel goed begaanbaar. We lopen een stuk in zuidelijke en westelijke richting. Om ons heen liggen tientallen vulkanen. Deze zijn allemaal vrij donker van kleur.
De tijd ontbreekt, om via de andere kant van de Caldera Blanca af te dalen. We nemen dezelfde weg terug.
In het hotel voegen wij ons bij de “all-inclusive gasten”. Zij krijgen iedere dag een uitgebreide lunch voorgeschoteld.
Na de maaltijd begint het lange wachten. Het is nog te vroeg, om naar het vliegveld te gaan.
Als het eten wat gezakt is, lopen we voor de laatste maal de stad in . Een heel klein stukje maar. Op een terras nemen we plaats. Voor een drankje. En, voor de liefhebbers, taart.
Helemaal droog is het niet, er vallen toch nog wat regendruppels naar beneden. En dat is kenmerkend voor de Lanzarotetocht. Het weer kon beter. Desondanks hebben we zeven dagen lang met volle teugen genoten van het bijzondere landschap. We realiseren ons, dat je nergens anders in Europa op zo’n kleine oppervlakte zoveel “vuurbergen” tegenkomt.
Op het vliegveld nemen we afscheid van Jan en Aadje. Zij blijven nog een week op Lanzarote.
Iets na 7 uur kiest het vliegtuig het luchtruim. Het toestel moet eerst een aantal passagiers op het naburige eiland Fuerteventura afzetten. Wij mogen er ook uit. Een half uur. Even rondkijken en hup het vliegtuig weer in. Op de juiste plek gaan zitten, riemen vast en ruim vier uur je rustig gedragen. Op maandag 3 februari om 2 uur ’s nachts zijn we terug in eigen land.
Bericht geplaatst door Rowan Koster op woensdag 5 maart 2014


KERSTTOCHT, Zeist, dinsdag 24 t/m donderdag 26 december 2013

Ruim drie weken geleden, brachten we de Kerstdagen door in Zeist. In een sprookjesachtig landhuis.
Jonkheer E. Lintelo de Geer liet het in 1904 bouwen. Architect G. Lagerwey kreeg de vrije hand. Hij hoefde zich niet aan een specifieke bouwstijl te houden. In de loop van de tijd verrees er tussen de bomen een “Middeleeuws kasteeltje”. Binnen had de jonkheer alle ruimte om zijn grote verzameling antieke objecten tentoon te stellen.
Na de Tweede Wereldoorlog kreeg het kasteeltje een nieuwe functie, het werd ingericht als exclusief hotel-restaurant.

24-12
Om 11.15 uur is de groep compleet en kunnen we van start gaan met de wandeling. Eerst een stukje door een woonwijk en dan het bos.
Midden in het bos een grote vijver en een chaletachtig houten huis op een heuvel. We bevinden ons op landgoed Heidestein. Alle waterpartijen (vijver, kanaaltjes) zijn in het begin van de twintigste eeuw met de hand uitgegraven. In opdracht van de Oostenrijkse irrigatiedeskundige Wetstein Pfister.
Een smal paadje langs het “kanaal” brengt ons naar de heide. Om ons heen alleen windgeruis. Het stormt niet meer. Maar het geluid van de auto’s en treinen wordt nog steeds overstemd. Pas als we dichtbij de snelweg A12 zijn, zien en horen we, dat er meer mensen onderweg zijn. Ons doel is niet ver: Hotel Bergse Bossen aan de rand van Driebergen.
Op onze komst is niet gerekend. De dame van de receptie is vergeten om haar collega van het grand-café in te lichten. We moeten het zonder gebak stellen. Maar niet getreurd. Er wordt een grote etagère binnen gebracht met bonbons, cake, slagroom, “Italiaanse tulband” en warme kersen.
Terwijl we genieten van koffie/thee met iets erbij, kunnen we uitgebreid de kerstversiering bekijken. Overal blinken de ballen, slingers en lichtjes je tegemoet. Grote blikvanger zijn twee ijsberen. Moeder en kind staan onder het biljart en draaien voortdurend met hun kop heen en weer.
Op de terugweg lopen we langs de rand van Austerlitz. De naam van dit dorp verwijst naar de Driekeizerslag in Austerlitz in het huidige Tsjechië. In 1805 kwam het leger van Napoleon als overwinnaar uit de strijd.
Vanaf een andere kant bereiken we de heide met het ronde ven en het afvoerkanaaltje. Zeist is niet ver meer. Voordat de schemering invalt, zijn we terug in ons sfeervolle onderkomen.

25-12
Het is nog stil in de straten als we koers zetten naar het Zeisterbosch.
In het verleden trok het Zeisterbosch veel bezoekers. Vanuit de stad Utrecht spoedden zich grote groepen mensen naar de voornaamste “attracties”: een wonderboom, een muziekkoepel, een danszaal en romantische bruggetjes.
Het lunapark van weleer is nu een groene long tussen woonwijken. Lange rechte paden voeren naar het oosten. Naar de stille bossen van de Kozakkenput.
Om aan drinkwater te komen, moesten soldaten (o.a. huurlingen uit Rusland) diepe kuilen graven en putten bouwen. Bij een nog goed als zodanig herkenbare afgraving is de groepsfoto gemaakt.
Na een aantal slingerpaadjes gevolgd te hebben, komen we bij een heide, die voor een deel in een oude groeve ligt. Ook hier is dus zand weggehaald. En grind. Door machines ditmaal.
We lopen een extra rondje. We komen langs een open strook. Onlangs zijn hier honderden bomen gekapt. Het is de bedoeling, dat heideplantjes zich gaan vestigen op de kale grond. In de nabije toekomst zullen zandhagedissen en andere bewoners van heideterreinen zich gemakkelijk kunnen verplaatsen. De kans, dat lokale populaties uitsterven wordt hiermee verkleind.
Dezelfde groeve als net komt in zicht. In het zomerhalfjaar staan er caravans en tenten beneden. Om 10 over 12 overschrijden we de drempel van hotel Oud-London. We zijn precies op tijd. Er is plaats voor ons. Naast een warme drank kunnen we kiezen uit ski- of appelgebak.
Buiten is het nog steeds heel aangenaam om te lopen. De lucht is blauw en de zon schijnt volop. De meeste deelnemers gaan graag met de reisleider mee. Voor het tweede gedeelte van de wandeling. Die voert ondermeer naar de kuil van Stoop (met behulp van stoomkracht werden op deze plek grondboringen verricht), de Witte Villa en een heideterrein (hier hebben we een tijdje heerlijk in de zon gezeten).
In het bos komen we veel meer wandelaars tegen dan gisteren. Vlak voor Zeist wordt het zelfs druk. We sluiten ons aan bij de menigte en komen bij de schaapskooi terecht. Iedereen mag even rondkijken. Er is o.a. een levende kerststal (met ezel) te zien, een man met een orgeltje en een flink aantal Drentse heideschapen.
’s Avonds wordt ons een viergangenmenu voorgeschoteld. Eendenborst vormt het hoofdgerecht. Tussen de gangen door, kan er genoten worden van muziek. Een stel in smoking gestoken mannen speelt de sterren van de hemel. Klassieke deuntjes komen voorbij, evergreens, en vlotte jazznummers. Het is muziek, die de benen en armen in beweging brengt. Een aantal van ons laat zich daarom niet weerhouden om de dansvloer op te gaan.

26-12
De Utrechtse Heuvelrug laten we vandaag voor wat hij is, we zoeken de laagte van het Kromme Rijngebied op. Tot in de twaalfde eeuw stroomde de Rijn via Utrecht en Leiden naar de Noordzee. Ter hoogte van Wijk bij Duurstede werd een dam opgeworpen, waardoor het water gedwongen werd om een andere richting te kiezen (Lek).
Alvorens we met 21 personen bij het jaagpad aankomen, passeren we verschillende landgoederen. O.a. Wulperhorst (onderdeel van de Stichtse Lustwarande), waar muzikant Wibi Soerjadi woont.
Links, aan de andere kant van het water, ligt Bunnik. En rechts van ons is eerst een golfbaan even later voetbalvelden en dan een strook met volkstuinen. Achter deze moestuinen liggen de bossen, houtwallen en weilanden van landgoed Niënhof. We komen ook de restanten van afgesneden rivierbochten tegen.
Een asfaltweggetje brengt ons bij de oostrand van Fort Rhijnauwen, een bolwerk, dat deel uitmaakt van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. In de verte doemen de hoge gebouwen van Universiteitscomplex De Uithof op.
Bij Theehuis Rhijnauwen hebben we geluk. We hoeven geen extra rondje te lopen. We kunnen gelijk achter de tafel plaatsnemen. Voor koffie/thee met tomaten- of erwtensoep.
De erwtensoep is goed gevuld maar niet erg warm. Sommigen van ons krijgen daarom een tweede kop voorgeschoteld. De inhoud hiervan is wat warmer.
Te midden van veel andere wandelaars gaan we verder. Bij de jeugdherberg (fraai landhuis) steken we de Kromme Rijn over. Via de zuidoever gaan we verder. De zon begeleidt ons een tijdje.
Tussen Bunnik en Zeist ontbreken vrij toegankelijke wandelpaden. We lopen daarom bijna drie kilometer over een breed fietspad langs een doorgaande weg.
Het laatste stuk van de wandeling is weer gevarieerd. We komen langs verschillende landgoederen. Met fraaie optrekjes, die omdat de bomen kaal zijn, goed vanaf de weg te zien zijn. Tussendoor een open stuk langs een wetering.
“Ons kasteeltje” komt in zicht. Binnen zitten we nog even bij elkaar. We mogen koffie of thee uit de automaat halen. Op schaaltjes liggen kerstkransen en brownies.
Rowan doet zijn “afscheidsspeech” en vermeldt daarbij, dat hij –heel dom- de achterklep van zijn auto heeft dichtgegooid, terwijl de sleutels er nog in lagen.
De wegenwacht is binnen een half uur ter plaatse. Na wat “morrelen” met een lang stuk gebogen metaal, springt het portier open. Ook de reisleider kan afreizen naar huis.
Bericht geplaatst door Rowan Koster op zondag 19 januari 2014


MEINWEGTOCHT, 22 tot en met 24 november 2013
vanuit Overhetfeld (Duitsland)

Gedurende het laatste volledige weekend van november hebben we nader kennis gemaakt met de veelzijdige natuur van de Meinweg en het Schwalmdal. Op vrijdag en zaterdag zijn we zowel vanuit Duitse als Nederlandse zijde te voet doorgedrongen naar het hart van het Nationaal Park De Meinweg. Op zondag zijn we het riviertje de Schwalm overgestoken en hebben we een ronde gemaakt over het voormalige Britse munitiedepot.
Het weer was ons redelijk goed gezind. Afgezien van enkele korte buitjes, hebben we het droog gehouden. Ook hebben we de zon zien schijnen.
Dat veel bomen nog getooid waren met fraai gekleurde bladeren was een plezierige bijkomstigheid.

vrijdag 22 november
Vlakbij de kapel in het park ontmoeten we elkaar. Als Gerrie Poorterman en ondergetekende het restaurant binnen lopen, zit een flink deel van de groep reeds aan de koffie of thee. Net voor 11 uur is iedereen aanwezig in Overhetfeld.
Iedereen kan zijn bagage alvast op de kamer zetten. Het gebouw, waar we slapen ligt een klein stukje verwijderd van het restaurant.
Aan de zijkant van het hotel is een grote parkeerplaats. Hier verdelen we de groep over drie auto’s. Want het wandelgebied van vandaag ligt een stuk verderop. Achter het dorpje Oberkrüchten stappen we uit bij een tennisbaan.
Aan de horizon ligt Forst Meinweg. Dit bos lopen we in de lengte door. Bij een bank met overkapping (Sechseichen) pauzeren we voor de lunch. Niet veel later, opnieuw pauze. Ditmaal binnen, in hotel-restaurant Sint-Ludwig. In het Nederlandse buurtschap Vlodrop-Station.
Net voor het passeren van de “IJzeren Rijn” (voormalige (goederen)spoorlijn) hebben we een tijdje een blauwe kiekendief kunnen gadeslaan. Het betreft een vrouwtje. Bruin van kleur met een witte plek (stuit) net boven de lange staart.
Na de koffie/thee met iets erbij, houden we de “Indiase universiteit” aan onze rechterhand. Het bos maakt plaats voor heide. Ook gaan we een enkel heuveltje op en af. Aan de hand van drie bladeren, legt reisleider Rowan het verschil uit tussen Zomereik, Wintereik en Amerikaanse eik.
Het Elfenmeer blijkt toch verder weg te liggen dan verwacht. We slaan daarom dit ven over. Rowan doet de belofte, dat we morgen langs diverse meertjes zullen lopen.
De schemering daalt over de landerijen als we tegen 17.00 uur de auto’s bereiken.

zaterdag 23 november
Ook vandaag verplaatsen we ons eerst met auto’s. We rijden naar Nederland, naar het dorp Asenray. Zoals wel vaker, kiest Rowan voor een route binnendoor. Na het passeren van de grens, verkeert hij in de veronderstelling, dat hij op de toegangsweg naar de snelweg zit. Hij draait de auto om, gaat een doodlopende parallelweg in en ziet dan toch de juiste afslag. Even een stukje door de berm en we kunnen alsnog naar Asenray. Oom agent zal de vreemde manoeuvres van Rowan vast niet goedgekeurd hebben. Maar dat terzijde.
Langs de bosrand lopen we naar de grens. Die is hier kaarsrecht. Twee paden gaan rechtstreeks naar het Melickerven. We kunnen kiezen. Een vlakke grindweg aan Duitse zijde of een wat smaller en hobbeliger pad aan Nederlandse zijde.
Het is vrijwel windstil. De grootste waterpartij van de Meinweg is bijna zo glad als een spiegel. We zien verschillende eenden en enkele zwanen zwemmen.
In een wijde straal rondom het bezoekerscentrum zijn houtsculpturen te bewonderen. We staan ondermeer oog in oog met een smokkelaar en een wild zwijn.
In het bezoekerscentrum is “Bosbrasserie IJgenweis” gevestigd. De koffie smaakt hier prima. Ook het gebak “hapt” heerlijk weg.
Meer vennen volgen na de lunchpauze. Eerst eten we ons brood op. Onder een afdak aan de rand van de heide. Dan een klein stukje lopen. Een vlonder nodigt uit, om het bruine venwater van dichtbij te aanschouwen.
Achter de Rolvennen stroomt de Bosbeek, een klein stroompje, dat tussen riet en wilgenstruweel kronkelt. Het blijkt lastig, om de oever te bereiken.
Pas een heel stuk verderop, krijgen we deze waterloop echt te zien. We zijn dan alweer in de buurt van het Melickerven. Aan de Duitse kant houden we even halt.
Het laatste gedeelte van de wandeling voert door een bosgebied met veel heuveltjes. Lange tijd was dit stukje Meinweg nauwelijks begroeid; de wind had vrij spel.
Een trompetterend geluid doet ons omhoog kijken. Het geluk is met ons. Vrijwel boven onze hoofden trekt een groep kraanvogels over!

zondag 24 november
Ten noorden van de Meinweg ligt een ander interessant natuurgebied. Het dal van de S(ch)walm. Aan weerszijden van dit grotendeels rechtgetrokken riviertje strekken zich bossen, moerasgebieden, heideterreintjes en zandwinningsplassen uit. Nog wat verder naar het noorden ligt, omgeven door een robuust hekwerk, een merkwaardig bos. Merkwaardig, omdat de bomen op veel plaatsen ver uiteen staan. De paden zijn bovendien breder dan normaal. En er liggen langgerekte wallichamen.
Dit bijzondere gebied was lange tijd in gebruik als opslagplaats voor munitie. Geen wandelaar mocht er komen.
Eind jaren negentig keerde het tij. Het Britse munitiedepot werd ontmanteld.
De natuur kreeg vanaf dat moment voorrang. Gemarkeerde routes brengen je naar de mooiste plekken. Wij volgen de groene route. Op een aarden wal is een houten loopbrug aangelegd. Net als op een dijk, kunnen we goed om ons heen kijken.
We zien stukken heide en fraaie boomgroepen (lariks, berken). Helaas ontbreken de damherten.
Van een heel andere schoonheid is de Baggersee, een zandwinningsplas. Vanaf een paadje kunnen we steeds over het wateroppervlak kijken. Op de oevers staat dicht struikgewas. Ook is er een eiland, begroeid met bos. Het heeft iets weg van een meer in Zweden.
In het vakantiedorp Venekoten is een hotel (Landhotel Linden), waar we terecht kunnen voor Kaffee/Tee mit Kuchen. Het is warm binnen. De open haard brandt. De groep splitst zich tijdelijk in tweeën. Want niet iedereen wil in het warme vertrek zitten. Nabij de receptie is het wat koeler.
Een kort stukje naar restaurant Zur Kapelle an der Heide resteert. We zouden er over het asfalt in een rechte lijn naar toe kunnen lopen. De reisleider kiest er echter voor om “zigzaggend” door een bos te wandelen.
In het restaurant bij de kapel zitten we nog even bij elkaar voor een kop soep.
Bericht geplaatst door Rowan Koster op maandag 9 december 2013


KEMPENTOCHT, vanuit Achel (België)
dinsdag 29 t/m donderdag 31 oktober 2013

dinsdag
Voordat de wandeling begint, verzamelen we ons in de “huiskamer” van hotel De Zeven-sprong. Daar kan iedereen een kop koffie of thee inschenken en een stuk vlaai nemen.
Al drinkend, etend en gezellig kletsend, wachten we tot de groep compleet is. De deelnemers die met de buurtbus komen zijn echter verlaat. We wachten buiten op hen. Karen, Ineke en Yvonne stappen uit. Ze mogen nog even naar de WC en hun bagage op de kamers zetten.
Om 12.20 uur kan het startsein worden gegeven. We slaan een brede weg in. Aan weerszijden staan eerst kleine huizen en wat later riante villa’s.
Een paadje voert ons het bos in. Grove dennen en Amerikaanse eiken met fraaie herfstkleuren domineren. De eerste vliegenzwammen worden gespot.
Een bij een fraaie waterpartij gelegen restaurant laten we rechts liggen. Maar zo verzekert reisleider Rowan ons plechtig, tijdens de laatste wandeling gaan we hier wel wat gebruiken!
We spreken eerst onze eigen voorraad aan. Bij een vennetje. Regendruppels dreigen de pauze te verstoren. We eten echter gewoon door. Ook deelt Rowan koek en chocolade uit. De druppels worden minder en als we weer in beweging zijn gekomen, is het droog.
In Nederland begeven we ons op de uitgestrekte heide. Over weinig gebruikte weggetjes koersen we op het Groot Kraanven aan. Om ons heen zijn de sporen van een brand goed zichtbaar.
Een boswachter met assistent “verwelkomt” ons. “Jullie zijn door een rustgebied gelopen”. “Wandelen mag alleen op paden, die zijn voorzien van een oranje toegangsbord”.
“Goed mevrouw, we zullen beter opletten”. Rowan loodst ons verder. Over openbare wegen.
Het dal van de Tongelreep is in het verleden –met veel moeite- door de monniken van de Achelse Kluis ontgonnen. Vanaf 1998 heeft Staatsbosbeheer, de huidige eigenaar, in korte tijd alles weer in de “oude staat” gebracht.
In de cafetaria van het klooster, met zicht op de brouwerij, drinken we koffie/thee met iets erbij.
Een paar uur later wordt het diner geserveerd. Kok en gastheer Mario heeft zijn best gedaan.

woensdag
Met drie auto’s rijden we naar de rand van natuurgebied De Plateaux. Heide en bos nemen de grootste oppervlakte in. Maar er is ook veel water en moeras te vinden.
Een toevoerkanaaltje zorgt ervoor, dat de kleine perceeltjes van de Pelterheggen onder water gezet kunnen worden. Dit bevordert de grasgroei. Herfsttijlozen gedijen hier ook goed. Helaas treffen we geen restanten meer aan van deze in september bloeiende “krokus”.
Wel aanwezig zijn de Gallowayrunderen. En Jezus aan het kruis kijkt al jaren over zijn “verkeerde” linkerschouder.
Lage zandduinen met vliegdennen en even later water, riet en lisdodde. Een vlonderpad voorkomt, dat we natte voeten krijgen.
Op het water van de Provincievijver dobberen verschillende eenden. Een wintertaling zwemt rustig voorbij. Vanuit de vogelkijkhut kunnen wij zijn warmbruine kop met groene oogvlek zien.
Nog wat vijvers en dan de Dommel. Deze volgen we stroomafwaarts. Een observatiehut op poten nodigt uit, om het Dommeldal vanaf enige hoogte te aanschouwen. Het is tevens een goede plek voor de groepsfoto.

Om 13.00 uur gaat het natuureducatiecentrum open en kunnen we een warme drank bestellen. Tot die tijd moeten we ons buiten zien te vermaken. Dat lukt prima. Met een extra lus. En een lunchpauze in de zon. Gezeten op picknickbanken zien we de achterdeur open gaan.
De zon blijft ons vergezellen. Een luw plekje aan de rand van het bos met zicht op heide en grasland vraagt om een pauze. Languit genieten van een mooi moment van de dag. Het levert de meesten van ons nieuwe energie op. In vlot tempo plakken we er een bosrondje bij aan.

donderdag
Het landschap tussen Achel-Station en Hamont heeft de wandelaar veel te bieden. Stukken bos worden afgewisseld met akkers en weilanden. Te midden van het geboomte staan enkele kastelen en hereboerderijen. Ook kom je de restanten tegen van een water- en torenmolen. Beken en vijvers zorgen voor een blauw accent. Ten slotte valt de stilte op. Al wordt die vandaag een paar keer verstoord door laag overvliegende straaljagers.
Vanuit het hotel lopen we naar De Tomp, een stenen toren, die vermoedelijk dienst deed als molen. En niet als vluchtplaats zoals lange tijd gedacht werd.
Wederom een beek langs het pad. Met hoge oevers. Het resultaat van intensief onderhoud. Takken, bladeren en modder werden uit de beek gehaald en op de kant gegooid.
“Hoe ver is het nog naar de koffie Rowan?” “Vijf minuten”. En inderdaad tussen de bomen doemt een gebouw op. Domein De Bever met uitkijktoren. We installeren ons in de serre. Koffie, thee, gebak en warme wafels volgen.
Bij “Den Draad”, een versperring onder stroom uit de Eerste Wereldoorlog”, zijn we opnieuw aan het eten. Gezonde kost, brood, ditmaal.
Aan de rand van de Gastelsche Heide stuiten we op roodwitte linten met waarschuwings- borden. Vanwege asbest op het pad, dienen we een omtrekkende beweging te maken.
Een eind verderop, snijden we juist een heel stuk af. Als moderne smokkelaars wippen we de grens over. Rechts de muren, daken en torentjes van de Achelse Kluis. Links een stuk bos, waar we zigzaggend doorheen gaan. En dan de eerste huizen van Achel-Station.
In het hotel zitten we nog even bij elkaar voor een kop soep.
Bericht geplaatst door Rowan Koster op maandag 25 november 2013


YORKSHIRETOCHT(GB), 8 t/m 15 juni 2013

zaterdag 8 juni
Met een KLM Cityhopper vliegen we van Schiphol naar Leeds-Bradford. Het toestel staat samen met een aantal andere “kleintjes” op een afzonderlijk gedeelte van het vliegveld. Een bus brengt ons er heen. Via de trap gaan we de Fokker F 70 binnen.
Onderweg delen de stewardessen broodjes uit. Ook mogen we koffie of thee bestellen. We hoeven voor deze service niet te betalen.
Op Engelse bodem, in de aankomsthal, treffen we deelnemer Finy Sekuur. De groep is compleet.
Aan het begin van de middag, zetten we onze eerste stappen. We verlaten ons landgoed en volgen een klein stukje van de lange afstandsroute “The Pennine Way”.
De zon is inmiddels volop gaan schijnen. Het Nationaal Park laat zich gelijk van zijn beste kant zien. Schapen en koeien, rustig grazend op een helling, stenen muurtjes met makkelijk passeerbare hekjes en velden vol met boterbloemen. Boven onze hoofden de geluiden van wulpen en kieviten. Ook klinkt het schelle “te piet” “te piet” van een scholekster.
We dalen af, steken het riviertje de Aire over en gaan richting het dorp Airton. Op een mooi plekje eten we de rest van ons brood op. En gaan sommigen van ons even plat. Oogjes dicht en genieten van de zon.
Voorbij het dorp, moet er weer gewerkt worden. Vier muurtjes, vlak achter elkaar. Twee daarvan moeten echt beklommen worden. En vervolgens voorzichtig afdalen. We hadden ook gewoon over de asfaltweg kunnen lopen. Maar moeilijk doen als het makkelijk kan, is sportiever en avontuurlijker.
Dotterbloemen, knikkend nagelkruid en echte koekoeksbloemen langs de Aire. Opnieuw omhoog. Naar het buurtschap Calton en een extra rondje in oostelijke richting. Een rommelig erf met een dood schaap.
Op de asfaltweg een moedereend, die met haar vleugels over de grond sleept. Het is een grote zaagbek met 9 kuikens. Moeder wil haar kroost in veiligheid brengen. Maar dat lukt lange tijd niet. Paniek en verwarring alom. De jongen worden op het “rustieke” weggetje geconfronteerd met vierentwintig wandelaars, verschillende auto’s en enkele motoren.

zondag 9 juni
Tijdens het ontbijt liggen op een tafel de sandwiches klaar. Keurig verpakt en voorzien van een sticker. Met daarop vermeld onze keuze. Gisteren heb ik ingevuld: “Crunchy Peanutbutter” en “Mature Cheddar”.
Via de “achteruitgang” van Newfield Hall lopen we naar de rivier. Een man in een terreinwagen vertelt ons dat dit niet mag. Privéterrein.
Een paar uur later maant een andere man ons, om door te lopen. Hij wil niet hebben, dat we aan de rand van zijn erf op een muurtje gaan zitten. Hij probeert namelijk zijn huis te verkopen. Kennelijk ontsieren wij wandelaars het aanzicht van zijn woning.
We gaan gauw verder en vinden een veel betere lunchplek. Op een zonnige helling. Met uitzicht op monumentale vrijstaande bomen en een landhuis (Flashby Hall). Koeien houden ons gezelschap. Ze komen steeds iets dichterbij!
Een kanaal in een heuvellandschap is bepaald verrassend te noemen. In de negentiende eeuw is het gelukt om Leeds te verbinden met Liverpool. Onderweg moeten schepen tientallen sluizen passeren. Over het voormalige jaagpad volgen we het kanaal een stukje. We komen verschillende kleurig uitgedoste “narrow boats” tegen.
In het centrum van Gargrave kunnen we in een lunchroom annex snoepwinkel plaats nemen. Voor koffie/thee met iets erbij. We kunnen kiezen uit verschillende soorten gebak.
De terugweg voert in een vrijwel rechte lijn naar Newfield Hall. Binnen de kortste keren, komt onze verblijfplaats in zicht. Op een heuvel bij een voormalige groeve genieten we van het uitzicht.
’s Avonds, na het eten, is er opnieuw een quiz. Ditmaal gaat het over muziek. We krijgen geluidsfragmenten te horen. Met daarbij de vragen: “Hoe heet het nummer?” “En hoe heet de artiest/componist?”

maandag 11 juni
Om in het dorp Malham te komen, hoeven we alleen maar de rivier te volgen. Stroomopwaarts. Het is een lieflijke vallei. Met veel bloeiende meidoorns. Bij het water zien we tweemaal een waterspreeuw over de keien lopen.
In Malham gaan we eerst naar het informatiecentrum. Daarna is het koffietijd. In het sfeervolle en gemoedelijke Hotel Lister Arms staan de kopjes en schotels al klaar. Weldra arriveren ook de cafetières, de theepotten en schalen met fruitcake. We mogen ons zelf bedienen.
Achter het dorp doemt een hoge witte rotswand op (Malham Cove). Ooit, duizenden jaren geleden, stortte op deze plek het water naar beneden. Nu sijpelt het langzaam in de ondergrond en komt het als klein stroompje weer tevoorschijn.
We gaan naar boven en houden op het kalksteenplateau met zijn scheuren en spleten halt. We eten onze sandwiches op en zijn getuige van een spectaculaire luchtshow. Een slechtvalk doet meerdere pogingen, om een kauw te slaan. Het kleine kraaitje weet ternauwernood te ontsnappen.
We volgen de breuklijn naar het oosten. Links kalksteenrotsen, rechts “gewoon boerenland”.
Achter een trapje over een muurtje staat een motor geparkeerd. Niet echt handig. De eigenaar staat toe te kijken. Met enige verbazing. Achtenveertig voeten, die vlak langs het stuur van zijn machine scheren.
Een opening in de helling. Een nauw dal. Met om de hoek een berg rotsblokken en een smalle waterval (Gordale Scar). Met gepaste bewondering aanschouwen wij dit natuurverschijnsel. We letten daarbij ook op details. Een witte kwikstaart blijkt op enige hoogte tussen het gras een nest met jongen te hebben.
Stroomafwaarts stort het water zich nog een keer naar beneden (Janet’s Foss). Achter het watervalletje een eeuwenoud bos. Van een adembenemende schoonheid. De bodem is bedekt met een wit en fris groen tapijt van daslook.
Naar Newfield Hall is het nog een flink stuk lopen. Hoofdzakelijk langs de rivier. Maar er is tussendoor ook een steile helling, waar we niet omheen kunnen. Moedig sjokt iedereen door.
Als we bij de voordeur van ons wandelhotel staan, hebben we er zeker twintig kilometer op zitten.

dinsdag 11 juni
Wolken hebben vandaag de overhand. De zon laat zich weinig zien. De wind is wel nadrukkelijk aanwezig.
Aan de rand van de moors (kale hoog gelegen gebieden met gras, heide en stukjes veen) moet het regenpak aan. Gelukkig wordt het later op de dag weer droog. Wel is het fris buiten.
Na een stukje “struinen” door het hoge gras, met langs het “pad” heidekartelblad en tormentil, komen we op een goed begaanbare weg, die naar een stuwmeer leidt.
Een brede brug over een stroompje vormt het begin van een lange geleidelijke klim naar een heuvel van 414 meter hoog. We zijn nu midden in de moors. Geen mens te zien. Stilte alom. Alleen de wind, enige veldleeuweriken, een paar graspiepers en een enkele wulp doen van zich horen.
De ondergrond is hard. Er zijn weinig natte plekken. Kennelijk is er gedurende de afgelopen weken weinig regen gevallen. Boven houden we halt. Er zijn verschillende brede met gras begroeide kuilen, waar we redelijk beschut tegen de wind wat kunnen eten.
In een vrijwel rechte lijn gaan we naar het buurtschap Calton. Beneden de 230 meter staan weer bomen. En niet veel later doemen een paar huizen op.
We lopen door naar Airton. Daar hebben we een late koffiestop. In een groot gebouw, dat bij een boerderij hoort. Je kunt er niet alleen terecht voor een kop koffie of thee. Maar ook voor streekproducten, boeken, souvenirs, kaarten etc..
De laatste avond in Newfield Hall heeft een extra feestelijk tintje. Er kan gedanst worden in de grote zaal. De drie begeleiders van de Engelse groep slagen erin, om velen van ons de vloer op te krijgen. Gerard laat de Engelsen kennis maken met een “oer-Hollands” fenomeen: de stoelendans.

woensdag 12 juni
We gaan naar het tweede hotel. Tachtig kilometer verderop. In het noordwestelijk gedeelte van het Yorkshire Dales National Park.
Buschauffeur David brengt ons in 1,5 uur naar Sedbergh. Naar Thorns Hall, een wat kleiner onderkomen van de organisatie Holiday Fellowship. Het ligt aan de oostkant van de stad.
We worden ontvangen met koffie, thee en koekjes.
De rest van de dag is voor iedereen ter eigen besteding. De meesten van ons gaan naar het centrum van Sedbergh. Om een paar boekwinkeltjes te bezoeken en/of uitgebreid te lunchen in een pub.
Wie toch nog een stuk wil lopen, kan om 14.00 uur met de reisleider mee. Langs de rivier de Rawthey naar een oude textielfabriek: Fairfield Mill. In het verleden werden hier met behulp van grote mechanische weefgetouwen (paarden)dekens en (wand)kleden gemaakt. Nu is het een artistiek centrum, waar kunstenaars en ambachtslieden laten zien, hoe je van ondermeer hout, vodden, wol, papier kunstvoorwerpen kunt maken.
Na het eten moeten we ons zelf zien te vermaken. Er zijn geen andere gasten in het hotel.
Met scrabble en rummikub komen we op een gezellige manier de tweede helft van de avond door.

donderdag 13 juni
Marga en ik gaan hekjes tellen. We willen graag weten, hoeveel hindernissen we tijdens een wandeling tegenkomen.
Vlakbij de brug over de rivier de Rawthey passeren we de eerste klaphekken. Er zullen er nog vijftig volgen. Een snelle rekensom leert ons, dat we aan het eind van de wandelvakantie tussen de 250 en 300 keer een muurtje met trapje of hek op ons pad hebben aangetroffen.
Vlakbij de rivier strekken zich de sportvelden van de kostschool van Sedbergh uit. De zon komt er goed door. Het wordt gelijk warm.
De rivier wordt breder. Het water van de Dee komt erbij. Iets verderop een spoorbrug. Niet meer in gebruik. In de negentiende eeuw met “bloed, zweet en tranen” aangelegd door arbeiders van elders. Deze mannen leefden met hun vrouwen en kinderen in eenvoudige behuizingen direct langs het spoor. Om ze “beschaving” bij te brengen werden er dominees aangesteld en kerken gebouwd.
Eerder, in de zeventiende en achttiende eeuw, wisten de quakers en methodisten veel aanhangers te werven. Al in 1675 stond er een “meeting house” van de quakers in het buurtschap Brigflats. Het gebouw heeft de tand des tijds goed doorstaan.
Wij gaan naar binnen. De deur staat open. In de keuken kunnen we koffie en thee maken. In de centrale ruimte nemen we plaats op de “kerkbanken”. Een goed moment, om onze lunchpakketten tevoorschijn te halen. Koffie/thee met koek en een sandwich.
In de verte hebben we ze al zien liggen, de grazige hellingen van de Howgill Fells. Op een asfaltweggetje aan de voet van de bergen, worden we voor de keuze gesteld. Met een omweg, stevig klimmend en dalend of rechtstreeks op het gemak terug naar het hotel.
Iets meer dan de helft van de groep kiest voor de eerste optie. Op de Winder (473 m) opnieuw een afsplitsing. Vijf stoere mannen en vrouwen pakken nog een berg. De Arant Haw (605 m).
De reisleider begint met zijn groep met de afdaling. Beneden ons ligt de stad. Een paadje tussen bloeiende gaspeldoorns brengt ons bij een boerderij.
Van daaruit gaan we naar links. De stad houden we aan onze rechterhand. Een kleinschalig landschap met bosjes, weilanden, enkele huizen, een beek en minimaal 15 “muurpassages”.
Het hotel bereiken we via de achterkant.

vrijdag 14 juni
In de textielfabriek is een café gevestigd. Een prima adres voor koffie/thee met iets erbij. We kunnen kiezen uit verschillende soorten gebakjes en cake. Het formaat van de lekkernijen is bescheiden. Iedereen kan, aan de lijn of niet, gerust iets aanwijzen.
Op dinsdag zijn we langdurig in de moors geweest. Vandaag gaan we kort door de moors, om van het ene dal naar het andere te komen. De Frostrow Moors hebben een heel eigen karakter. Volgens de inwoners van Sedbergh is het zo’n beetje de natste plek van de streek.
De ondergrond is echter overwegend droog. Een paar keer moeten we een grote stap zetten om te voorkomen, dat onze schoenen wegzakken in de modder. Kenmerkend voor deze vochtige plaatsen is veenbes, een plantje, dat roze bloempjes en rode besjes heeft, maar verder totaal niet opvalt.
Aangekomen in Dent Dale worden we “getrakteerd” op regen. In het dorpje Gawthrop is het weer droog. Tijd voor de lunch.
Langs het riviertje de Dee gaan we verder. We volgen een tijdje de “Dales Way” (lange afstandswandeling). Opnieuw regen. En voor de aardigheid nog even een helling omhoog.
Terwijl we klimmen, keert de zon terug. Alles ziet er weer fris en fleurig uit. Bij een stenen muur/steenhoop pauzeren we.
Sedbergh is dichtbij. De meesten van ons willen nog wel een extra lus van 3 kilometer maken. Langs de rand van de moors en door een schilderachtig beekdal.
Ook in Sedbergh heeft de reisleider een extraatje in petto. We lopen een rondje over het terrein van de kostschool.

zaterdag 15 juni
Geen wandelingetje meer om het af te leren.
Vroeg opstaan. Om 6 uur ontbijt en om 6.30 uur de bus in.
De wandelweek in Yorkshire zit er helaas op.
Om 12.30 uur staat het vliegtuig weer op Nederlandse grond.
Boven het centrum van Amsterdam is het toestel naar de landingsbaan gevlogen.
Bericht geplaatst door Rowan Koster op woensdag 17 juli 2013


KLAPROZENTOCHT(B), 25 t/m 28 april 2013

donderdag 25 april
Om 13.45 uur is het zover, we kunnen beginnen met de eerste wandeling. Het juiste aantal deelnemers is gearriveerd in hotel De Hollemeersch en alle bagage staat op de kamers.
Niets houdt ons meer tegen, ook het weer niet, want dat is prachtig, om een grote ronde om de Kemmelberg (156 meter hoog) te lopen.
Vrijwel direct kunnen we de geuren van de lente opsnuiven. Over de struiken en verschillende bomen hangt een groen waas. De blaadjes zijn nog niet uitgevouwen, zodat de zon, die uitbundig schijnt, gemakkelijk de bodem kan bereiken. Speenkruid, bosanemonen en dotterbloemen staan in volle bloei. Later komen we ook wilde hyacinten en grootbloemige muur tegen.
In het Warandepark staat –te midden van waterpartijen, grasvelden en hoge bomen-een kasteel, dat slechts 88 jaar oud is. Het gebouw is na de Eerste Wereldoorlog in oude stijl herbouwd. Net als tientallen kerken en duizenden woningen.
We komen op de “Dries”, het veelhoekige dorpsplein van Kemmel. Vlakbij het standbeeld van het “Gapertje”, drinken we koffie of thee met een flink stuk aardbeientaart erbij.
Langs de noordhelling van de Kemmelberg gaan we verder. De sporen van de “Grote Oorlog” worden meer zichtbaar. In de Lettenberg hadden de Engelsen een ondergronds hoofdkwartier. Vier betonnen bunkers verschaften de militairen toegang. Aan het begin van een steile klinkerweg ligt het “Ossuaire Française”. Een massagraf, waar de stoffelijke resten liggen van 5294 mannen.
Aan de westkant is de begroeiing nog jong. Er zijn verschillende doorkijkjes naar de Rode en Zwarte Berg, twee heuvels, die we morgen gaan bezoeken.
In het zuiden stroomt de Leie. En daarachter liggen grote Franse steden. Zoals Lille.
Heel in de verte zijn vaag hoge gebouwen te zien.
’s Avonds als het donker wordt, is door alle verlichting die aangaat, nog beter te zien, dat we niet zover van uitgestrekte bebouwing af zitten.

vrijdag 26 april
Niets is zo veranderlijk als het weer. Dat blijkt als we naar buiten gaan. Het is meer dan tien graden kouder dan gisteren. Een stevige wind waait ons om de oren.
Over voornamelijk asfalt gaan we naar Dranouter. Hier is ondermeer een muziekcentrum en een Engelse begraafplaats.
In de Zaadboomgaard, een jong natuurgebied op de helling van een heuvel, lopen we in de beschutting van bomen en struiken. Beneden stroomt de Douvebeek. Deze gaan we stroomopwaarts volgen. Net zo lang totdat we in Frankrijk zijn.
Een aantal deelnemers kiest ervoor, om een stuk van vier kilometer over te slaan. Zij lopen direct naar het koffiedrinkadres.
Een smal paadje brengt ons over de grens. Bij een Engelse begraafplaats eten we een paar boterhammen op. Vanwege de kou blijven we maar korte tijd zitten.
Al lopende, doorkruisen we twee natuurgebieden. De bossen op de Mont Noir, met veel wilde hyacinten en terug in België het vochtige struweel van de Broekelzen. Een vlonderpad voert ons comfortabel langs dotterbloemen, sleutelbloemen en pinksterbloemen.
In restaurant Het Molenhof is de groep weer compleet. Met enige moeite lukt het reisleider Rowan, om naast koffie en thee, ook warm appelgebak te regelen.
Met de wind in de rug gaan we de helling af. Naar het dorpje Loker, met zijn mooie kerk (hoge toren met vier hoektorentjes), die –hoe kan het ook anders- na 1918 weer helemaal is hersteld. De deur staat open, zodat we ook even binnen kunnen kijken. Net buiten Loker opnieuw een Engelse begraafplaats, waar ook enkele Ierse militairen liggen.
En dan onze “eigen” berg. Nog een stukje omhoog.
We eten vroeg vanavond. Want we willen graag de dagelijkse ceremonie bij de Menenpoort in Ieper meemaken. Hier wordt dagelijks om 20.00 uur de Last Post door leden van de brandweer ten gehore gebracht. In aansluiting hierop worden vandaag teksten voorgedragen en bloemenkransen neergelegd. Op de muren van de Menenpoort staan de namen van 54896 vermiste soldaten vermeld, die tussen augustus 1914 en augustus 1917 omkwamen tijdens gevechten in en rondom de stad Ieper.

zaterdag 27 april
Met auto’s verplaatsten we ons naar Voormezele, een dorp in de Ieperboog. Hier en verder naar het oosten en noorden streden de Engelsen en Fransen tegen de Duitsers. Helemaal aan het einde van de oorlog deden ook de Amerikanen mee. Er werden loopgraven aangelegd. En ondergronds groef men tunnels uit. Met name de Engelsen bliezen tal van heuvels op. Om de Duitse stellingen te ondermijnen. En verwarring te zaaien. Het leverde de Engelsen uiteindelijk weinig terreinwinst op. Wel waren er duizenden doden te betreuren.
Anno 2013 ligt de Ieperboog er vredig bij. Het is een vrij open licht glooiend gebied. Weilanden en akkers overheersen. Hier en daar liggen plukken loofbos.
Domein De Palingbeek is het eerste bosgebied, dat we tegenkomen. Een smalle waterloop blijkt het restant te zijn van een nooit voltooid kanaal, dat Ieper met de Leie had moeten verbinden. We gaan een paar trappen op en komen bij een restaurant. We gaan zitten op het terras en bestellen koffie/thee met wafel.
In het Groenenburgbos, we zijn dan al weer wat verder in de tijd, eten we in de zon op een graspad ons brood op. Aan het eind van het bos ligt Hill 62, een Canadees oorlogsmonument met Amerikaanse suikeresdoorns en fraai uitzicht op Ieper. Hill 60 in het buurtschap Zwarte Leen ziet er heel anders uit. Het is een hobbelig terrein bij de spoorlijn. Hier hebben in 1917 aardverschuivingen plaats gevonden. Waar eerst heuvels waren ontstonden diepe kraters. Op andere plaatsen werd de grond juist vele meters opgehoogd. Over de spoorlijn ligt in het bos een ronde vijver (Caterpillar Crater). Een “idyllisch plekje”. Het is ontstaan door een enorme ontploffing.
We komen nogmaals langs het restaurant van vanmorgen. Rowan haalt hier zijn opschrijfboekje op. Hij had het laten liggen op tafel.
Nog een uur lopen. Door bos, langs het “kanaal” en door open terrein.

zondag 28 april
In en om ons hotel is het een drukte van belang. De grote eetzaal is bezet met liefhebbers van oude auto’s. Voor het ontbijt moeten wij genoegen nemen met een bijzaaltje.
In de directe omgeving van het hotel staan overal voertuigen geparkeerd. Slechts enkele mogen mijns inziens het predikaat “klassiek” dragen.
Met enige moeite, weten we, met vijf nieuwerwetse bolides, tegen de stroom in, Kemmel te bereiken.
Vrijdag waren we al even in Ieper. Vandaag gaan we de stad echt bezoeken.
We beginnen met de vestingwallen. Ieper was in de Middeleeuwen reeds een belangrijke stad. Er werd wol en laken verhandeld. Via de Ieperlee, de IJzer en de Noordzee werd het textiel naar Engeland verscheept. Om de welvarende stad te beschermen, werden er grachten, bolwerken, torens, muren en ravelijnen gebouwd.
In de Grote Oorlog verdween Ieper van de kaart. In het museum “In Flanders Fields” wordt duidelijk, waarom Ieper in het middelpunt van de oorlogshandelingen kwam te liggen. En buiten is duidelijk te zien, dat Ieper uit haar as is herrezen. Vanaf de jaren twintig werd Ieper in snel tempo weer opgebouwd. En dan liefst zoals het was. Dus nieuwe gebouwen met een laat Middeleeuwse, zestiende of zeventiende eeuwse uitstraling.
In een winkel, waar ze “leuke spulletjes voor in huis” (brocante) verkopen, drinken we koffie of thee. Met eigen gebakken taart erbij. Er is veel keuze. We zitten binnen, want buiten overheersen wind en wolken.
’s Middags wint de zon terrein en stijgt de temperatuur flink. We verlaten de stad. We lopen naar de Verdronken Weide. Een meertje met daar omheen drassige weilanden. We zien verschillende oranjetipjes (vlinders) vliegen.
Een korte blik over de Zillebekevijver en dan terug naar Ieper.
Maar voordat we de gracht oversteken, doen we nog het Hoornwerkpark met meidoornhagen, hoogstamfruitbomen en een enkele poel aan.
In het hotel nemen we, nadat we soep hebben gegeten, afscheid van elkaar.
Bericht geplaatst door Rowan Koster op dinsdag 4 juni 2013


NIEDERRHEINTOCHT, Pasen, 2012

zaterdag 7 april

Buiten schijnt geregeld de zon. Wel is het met tien graden aan de frisse kant.
Alvorens we de stad verlaten, lopen we eerst even door het centrum. Langs "das Gotisches Haus" (statige, oude koopmanswoning), over de markt en onder een poort door naar de Sankt Viktordom.
Een lange, geleidelijk klimmende lindenlaan, brengt ons naar de Fürstenberg. De verhoging, waar ooit het Romeinse legerkamp "Castra Vetera" lag. Eeuwen later, kozen monniken dezelfde plek uit, om een klooster te stichten. Alle gebouwen zijn inmiddels weer verdwenen. Met uitzondering van de "Birgittenkapelle".
In het dorpje Birten kunnen we voor de eerste keer ervaren, dat Duitsland een echt gebakland is. In restaurant "Zum Amphitheater" kunnen we kiezen uit vier soorten taart. Het spreekt vanzelf, dat het royale punten zijn.
In de tweede helft van de wandeling zit ook een stuk bos. "Die Hees" heet het. In de Tweede Wereldoorlog is hier hevig gevochten. Op tal van plaatsen treffen we restanten van gedeeltelijk overdekte loopgraven aan.
Aan de rand van het bos, zien we beneden ons de stad Xanten liggen. Met als blikvanger de twee torens van de Sankt Viktordom.

zondag 8 april

Bij het (voormalige) klooster Mörmter is een dienst aan de gang. Wij nemen buiten plaats en halen wat te eten en te drinken uit onze rugzakken. Op koffie of thee hoeven we voorlopig niet te rekenen. Vanmiddag pas. Of toch niet? Mensen komen uit de kerk. "Frohes Ostern". "Willen jullie soms koffie?" Nou als dat niet teveel gevraagd is, graag. Binnen twintig minuten staan er kannen met koffie en een paar schalen met koekjes klaar.
We vervolgen onze wandeling door een rustig en gevarieerd agrarisch landschap. Grote bruine akkers naast frisgroene houtopstanden. Monumentale boerderijen tussen het geboomte en doorkijkjes naar het Hochwald.
We gaan een kleine vijftig meter omhoog. Diep het bos in.
Aan de rand onze echte koffiestop in Villa Reichswald. Daarna in een iets hoger tempo terug naar Xanten. Over een voormalige spoorlijn en rustige landbouwweggetjes.
's Avonds opnieuw een uitgebreid buffet in Hotel Neumaier. Gisteren asperges. Vandaag Italiaanse gerechten.

maandag 9 april

Na twee droge dagen, een overwegend natte dag.
Marlies en Boudewien houden het voor gezien. De rest van de groep (m.u.v. Angela, die überhaupt niet van fietsen houdt) laat zich niet kennen en gaat de uitdaging aan. Want de temperatuur valt mee. En het regent niet continu.
De pont komt er al aan. Alleen kiest de kapitein voor een andere veerstoep. Dus moeten we ons verplaatsen. Over een smal, hobbelig en hier en daar glad keienpaadje.
Aan de noordkant van de Rhein gaat de "groene kolonne" verder. Over smalle en brede dijken. En door een stuk bos. In Flüren kunnen we bijkomen van de eerste tien kilometer. Er komen kannen koffie en schalen met (wat kleinere stukken) gebak op tafel. We kunnen zoveel nemen als we willen.
Even het bos weer door en dan doemt kasteel Diersfordt met kerk en bijgebouwen op. We lopen een rondje over het terrein. Forst Diersfordt is minder gemakkelijk te bezoeken. Een hek zit op slot. Omrijden maar. Langs een enorme tamme kastanje. Aan de westkant kunnen we wel naar binnen. Om ons heen veel eiken en enkele wildweides. In de regen eten we ons lunchpakket op.
Regen en tegenwind tot Bislich. An en Margreet sluiten zich weer bij ons aan. Aan de Xantense kant van de Rhein eten we gezamenlijk soep.
Bericht geplaatst door Rowan Koster op vrijdag 13 april 2012


KUUROORDENTOCHT, Tsjechië, 17 t/m 25 juli 2011

zondag 17 juli

Al meer dan 15 jaar wordt er gewerkt aan het NS-station van Arnhem. Eerst alleen aan de voorzijde. Maar sinds kort ook aan de achterkant (Sonsbeekzijde).
Een fatsoenlijk parkeerterrein is er helaas niet meer. Op zichtafstand van de uitgang vind ik toch nog een plekje voor de witte minibus.
Al gauw is de groep (7 deelnemers en 1 reisleider/chauf-feur) compleet. Tassen in de wagen, even een kopje koffie met koek en op weg.
Naar Duitsland. Naar Oberhausen aan de rand van het Ruhrgebiet. Gelsenkirchen, Bottrop, Recklinghausen en vele andere steden volgen. Bij Raststätte "Am Haarstrang" is de omgeving weer landelijk en doemen de eerste heuvels van Sauerland op. Buiten is het inmiddels droog geworden. Onder een bleek zonnetje eten we ons brood op. Een stevig windje zorgt ervoor, dat we niet te lang op de metalen picknickbanken blijven zitten.
Zon en regen wisselen elkaar af. Tussen Kassel en Eisenach stuiten we op de restanten van het IJzeren Gordijn. Hier waren Oost en West zo'n 25 jaar lang strikt van elkaar gescheiden. We lopen langs het gaas de heuvel op en verbazen ons over de bloemenpracht: wilde weit, marjolein, thijm en nog veel meer soorten.
Donkere wolken jagen ons de bus weer in. Een lang stuk snelweg tot Hermsdorf volgt. In dit dorp dineren we in hotel "Zum schwarzen Bär", een historisch pand (vakwerk) met mooie binnenplaats.
Nog twee uur te gaan. Eerst richting Schleiz. Over een stukje "DDR-Autobahn" met hobbelige betonplaten. Vluchtstroken zijn er niet en de parkeerplaatsen langs de weg zijn beperkt van omvang. Viaducten zijn ingepakt met netten, om het afbrokkelende beton op te vangen.
Binnenkort is dit allemaal verleden tijd, want de "snelweg nieuwe stijl (2x 3 rijstroken)" rukt op.
Als we net in Tsjechië zijn, laat de zon zich nog heel even zien. Daarna valt de schemering in. Hotel "Seeberg" is op de hoogte gebracht van onze komst. We kunnen direct de sleutel van de kamer in ontvangst nemen en van onze nachtrust gaan genieten.

maandag 18 juli

Bij daglicht ziet Ostroh, onze verblijfplaats, er heel anders uit. Het is een klein dorp met huizen die ver uit elkaar liggen. Daar tussen veel groen en een heuse burcht, daterend uit de Middeleeuwen. Het imposante bouwwerk staat op hoge rotsen vlakbij een diep beekdal.
Via een lange voetbrug bereiken we de overkant. Hier staan ook nog wat huizen en een -gedeeltelijk gerestaureerd- kerkje.
We verlaten het asfalt en duiken via een blauw gemarkeerd pad het bos in. Hoogteverschillen zijn er nauwelijks, wel wordt de ondergrond drassiger. Geen wonder, want we komen in een gebied met vennen en visvijvers.
Forellen en karpers zijn de vissen die hier gekweekt worden. We zien, hoe een man vanaf de laadbak van een vrachtwagentje met een grote kolenschop graankorrels in het water gooit. Als er even later een groepje aalscholvers overkomt, grijpt hij zijn geweer en schiet een paar keer in de lucht, om de zwarte vogels te verjagen. Bij een splitsing ontdekken we twee reeën. Kennelijk zijn deze dieren gewend aan geweerschoten.
Het centrum van Frantiskovy Lázne is niet ver meer. Alleen nog even een park -met verschillende bronnen- door. En dan staan we tussen alle pracht en praal. Statige gebouwen -de meeste okergeel van kleur- aan een lange kaarsrechte straat. Direct om ons heen badgebouwen, een zuilengalerij en heel veel groen. In een bloemperk de "mascotte van Franzenbad", een jongetje op een bal met een visje in zijn hand.
Aan de rand van een ander park drinken we koffie en eten we een heerlijk stuk gebak. Er is veel keuze. In een glazen vitrine staat alles uitgestald.
Vrijwel de hele middag ligt nog voor ons. Tijd genoeg, om nogmaals door het centrum van Franzenbad te slenteren. En om geld uit de muur te halen. In Tsjechië wordt immers alles met kronen betaald.
De terugweg voert voor een deel over een kastanjelaantje. Een smal pad (oud-kerkenpad?) met aan weerszijden paardenkastanjes. Voorbij een bos houdt het pad op. We gaan langs en gedeeltelijk dwars door een korenveld verder. Bij de huizen van Poustka bereiken we het asfalt. Ostroh ligt 2 kilometer verder.
's Avonds steken we even over naar restaurant/pension "Seeberg". Binnen ziet het er eenvoudig uit. Maar de menukaart (we mogen zelf de gerechten uitkiezen) belooft veel goeds. Ook de serveerster doet haar best. Ze kan zelfs een beetje Nederlands spreken. In de loop van enige jaren geleerd van Nederlandse gasten.
En het eten? Smaakvol en gevarieerd.
Wandeling 1: 17 km, 75 meter stijgen, 75 meter dalen

dinsdag 19 juli

De wereldberoemde kuuroorden Franzenbad en Marienbad zijn in de loop van de achttiende eeuw gesticht. Pas toen lukte het, om de moerassen, die gevoed werden door talloze minerale bronnen, droog te leggen en te ontginnen.
Over de bronnen werden keurige paviljoens gebouwd. Eerst van hout en later van steen of gietijzer. In de directe nabijheid van het heilzame water verrezen statige gebouwen. Met veel groen er omheen. Bomen, kleurige perken en geplaveide wandelpaden. Een complete metamorfose van het landschap!
Niet overal gingen de veengebieden op de schop. Bij het plaatsje Hájek ten noordoosten van Franzenbad is alles vrijwel bij het oude gebleven. In het natuurreservaat Soos loop je over een houten vlonder langs "minivulkaantjes". Hier borrelt en sist het overal. Heet water zoekt zich een weg omhoog door de modder. Zouten slaan neer en bedekken de grond met kleurige korsten.
Een stukje verder stuiten we op een smalspoorlijntje. Over de rails worden wagonnetjes met kaolienaarde vervoerd. Hoe dit spul eruit ziet, ontdekken we in het buurtschap Katerina. Onder een afdak staan de treinkarretjes. Volgeladen met brokken spierwitte klei. De belangrijkste grondstof voor porselein. De groeves liggen overal verspreid in de omgeving.
Nabij Skalná, het volgende dorp, liggen enkele grote afgravingen, waar de klei met vrachtwagens wordt afgevoerd. Ik wijs de deelnemers op een grote witte berg in de verte.
In het centrum van Skalná willen we koffie drinken. Tegenover de kerk en op steenworp afstand van het kasteel is een kleine lunchroom. Maar de deur is nog een kwartier op slot. Daarom gaan we eerst een boterhammetje eten. In een klein park. Met zicht op de lunchroom. Waar niets lijkt te gebeuren. Weer eens voelen aan de deur. Dicht. Zullen we naar het kasteel lopen en daar wat gaan drinken? Nee, want de eigenares staat achter ons. Enigszins verbaasd kijkt ze naar alle klandizie.
Alvorens we het dorp verlaten, lopen we naar het binnenterrein van het kasteel. Hier staan een paar kooien met dieren erin. Het meest opmerkelijk zijn een stel walibi's (kleine kangoeroes). Het kasteel zelf ziet er imposant uit. Op een fundament van stevige rotsen zijn dikke hoge muren gebouwd. Het dak is helemaal vernieuwd. Onlangs zijn een groot aantal kleine houten "dakpannen" aangebracht.
De tweede helft van de wandeling voert door een open landschap. Golvende velden met in de verte de beboste heuvels en bergen van de Slavkovský en Ceský Les. In het dorpje Stary Rybník trekt een enorme hereboerderij met visvijver en ruïne onze aandacht. Vergane glorie, waar je met veel geld en geduld, weer iets heel moois van zou kunnen maken. Maar wie durft?
Iets verderop in Vonsov heeft een projectontwikkelaar? het wel aangedurfd. Een klooster is hier verbouwd tot hotel.
De laatste kilometers gaan weer door bos. Onder de bomen staan zo'n 50 wilde zwijnen in een kraal. We kunnen de halftamme dieren goed bekijken.
Evenwijdig aan de spoorlijn lopen we naar het bezoekerscentrum van het natuurreservaat Soos. Iedereen mag hier nog even rondneuzen. Ik blijf buiten en neem een kijkje bij het vogelasiel. Verschillende vogels, waaronder een havik en een oehoe, worden hier tijdelijk opgevangen. Als ze weer voldoende hersteld zijn, worden ze losgelaten.
Wandeling 2: 16 km, 50 meter stijgen, 50 meter dalen

woensdag 20 juli

Donkere wolken kondigen ander weer aan; we houden het niet droog vandaag. En inderdaad, op weg naar Marienbad gaan de bergen schuil in de nevel.
De minibus klimt naar boven, naar 780 meter hoogte, waar het koud en mistig is. En het regent. Dus regenpakken aan en vol goede moed op weg. Het zal straks heus wel droog worden (?).
Na nog geen halve kilometer staan we op een vlonder bij een piepklein vulkaanmoeras (Smrad'och). Net als gisteren in Soos, "pruttelt" het water behoorlijk. Bellen met gas stijgen vanuit de diepte naar boven. Boven het water verspreidt de inhoud zich; onze neuzen worden "getrakteerd" op vleugjes zwavelwaterstof.
Door de regen dalen we af naar de stad. Onderweg komen we steeds meer restaurants en hotels tegen. Lang niet alle horecagelegenheden staan er florissant bij. Kennelijk is er een overaanbod aan eet- en slaapgelegenheden. De eigenaren/uitbaters van grote, eenzaam gelegen panden, hebben als eerste de moordende(?) concurrentiestrijd opgegeven.
Het bos gaat over in een park. Er zijn steeds meer paden en de afstanden tussen heilzame bronnen worden steeds kleiner. Achter de bomen doemen nu ook de statige panden van het centrum op. Hier hebben pracht en praal de overhand. Hoge gebouwen met beeldengroepen, fraaie ornamenten en kleurige bepleistering. Hetzelfde okergeel als in Franzenbad, maar ook opvallend roze, blauw of groen geverfde gevels.
Van een bijzondere schoonheid is de gietijzeren kolonnade. Slanke zuilen, een koperen dak en veel glas. Een speels geheel, temeer daar de zuilengalerij een licht gebogen plattegrond heeft.
Met regenkleding, paraplu's, rugzakken en modderschoenen gaan we een chic restaurant in. De toegang wordt ons niet geweigerd. Hoe zouden de obers en serveersters rond 1900 hebben gereageerd?
Op elk oneven uur laat de "zingende fontein" van zich horen. Met paraplu's in de hand, want het regent nog steeds, horen we "De Moldau" van Smetana en andere bekende klassieke meesterwerken uit de ondergrondse luidsprekers schallen. Ondertussen spuiten grote en kleine waterstralen op maat van de muziek omhoog en omlaag. Een genot om naar te kijken.
Uiteraard heeft Marienbad nog meer bezienswaardigheden voor ons in petto. Ik noem slechts: verschillende bronnen, een kerk in Neobyzantijnse stijl, pompeuze badgebouwen en keurig verzorgde plantsoenen.
Aan de rand van de stad willen we nog een hotel-restaurant binnengaan, om iets te drinken. Het duurt even, voordat we de juiste ingang gevonden hebben. Want alles ziet er donker uit. Binnen blijkt er een grote hoge ruimte te zijn met tafels en stoelen. Een paar lampen gaan aan en we kunnen plaats nemen. Na ons bezoek wordt alles gelijk weer donker. Vanuit de kelder, waar de toiletten zijn, moet ik mij op de tast een weg banen naar buiten. Energie sparen is een goede zaak, maar je kunt ook overdrijven!
Niet overdreven is de helling, die voor ons ligt. Voor de eerste maal in Tsjechië moeten we flink klimmen. Honderd meter gedurende een afstand van nog geen kilometer. Na het leegstaande hotel "Kamzik" wordt het terrein een stuk vlakker. Via een asfaltweg gaan we verder. Langs de achterzijde van de oudste golfbaan van de Kuuroordendriehoek. En langs een weiland, waar koeien grazen en een vos (!) in alle rust een paar muizen tracht te vangen. De asfaltweg klimt verder omhoog naar de 805 meter hoge berg "Polom". Vrachtwagens, zwaar beladen met boomstammen, komen ons tegemoet. Een paar huizen en dan weer absolute rust. Lange rechte paden en dan achter een bocht, de witte minibus. Eindelijk kunnen de regenpakken uit.
Wandeling 3: 15 km, 175 meter stijgen, 175 meter dalen

donderdag 21 juli

Hotel Seeberg in Ostroh gaan we verlaten. We stoppen de tassen in de minibus en rijden om klokslag 10 uur naar Loket.
Het stadje Loket ligt aan de rivier de Ohre. Op een strategisch punt. Op stevige rotsen in de binnenbocht van de rivier. Boven de huizen torent een grote burcht uit.
De naam Loket betekent in het Tsjechisch "elleboog". Een gebogen arm met zwaard staat in het stadswapen.
Het schilderachtige Loket ligt in een regio met veel industrie. Tijdens de wandelingen zien we daar niets van. Nu rijdt reisleider Rowan bewust langs grote fabrieken. Ten westen van Sokolov wordt bruinkool gewonnen. Deze delfstof ligt dicht onder de oppervlakte. Grote stukken land zijn compleet "opgeslokt". In een enkel geval zijn daarbij ook dorpen van de kaart verdwenen. De bruinkool dient als goedkope brandstof voor bedrijven en elektriciteitscentrales. Overal komen we daarom hoogspanningsmasten, schoorstenen en bovengrondse gasleidingen tegen. Gelukkig draaien de meeste fabrieken niet meer op volle sterkte.
Het kuuroord Karlsbad heeft ook twee gezichten. Industrieterreinen, snelwegen en flats aan de noordkant, luxueuze hotels, badhuizen, parken en bronnen aan de zuidkant. 's Middags gaan we er met de lijnbus naar toe. Uiteraard zetten we koers naar het zuiden. Hierbij volgen we de loop van het riviertje de Tepla. Vrijwel alle bezienswaardigheden kom je dan tegen. Bijzonder zijn ook de toeristen om ons heen. In het kuurgedeelte van Karlsbad kom je een ander soort publiek tegen dan in Franzenbad en Marienbad. Veel jongedames uit Arabische landen. Met het vliegtuig zijn ze gekomen. Met hun mobieltje aan het oor zitten ze in een koetsje, die door een vrouwelijke koetsier wordt bestuurd. Op weg naar een kliniek, waar ze een schoonheidsbehandeling ondergaan. Met hun gezondheid is waarschijnlijk niets aan de hand. Wellness is de nieuwe goudmijn van Karlsbad.
Reisleider Rowan benut de vrije middag, om wat inkopen te doen. Hij ontdekt een winkeltje, waar ze houten speelgoed verkopen voor redelijke prijzen. Met een aantal tassen vol spullen bereikt hij de bushalte. De deelnemers hebben weinig gekocht. Tot grote verbazing van Rowan. Op de vraag, waarom ze hun slag niet hebben geslagen, antwoorden een paar deelnemers als volgt: "We hebben ons geörienteerd op wat hier te koop is". "We komen hier toch nog een keer"? Ja dat klopt, maar dan zijn we aan het wandelen en hebben we geen tijd om te winkelen!
Het eten tijdens de eerste avond in Hotel Ferdinand is heel bijzonder; uit een stenen oven wordt een varken gehaald, dat hier zeven uur langzaam heeft liggen garen. "Slow cooking" in optima forma! Met enig ceremonieel vertoon wordt het varken door een paar sterke mannen uit de twee meter diepe kuil gehaald. Onderwijl geeft een medewerkster van het hotel tekst en uitleg.
En ze heeft gelijk, het vlees is heerlijk mals en rijk van smaak. De meeste deelnemers lopen voor een tweede of zelfs derde keer naar het buffet. Naast "aardvarken", kan ook gekozen worden uit verschillende groentes, pasta en fruit.

vrijdag 22 juli

Naast grote kuuroorden, liggen her en der verspreid in Tsjechië kleine kuuroorden. Het dorp Lazne Kynzvart is hier een goed voorbeeld van. Op een kleine oppervlakte liggen hier rondom een langgerekt park de sanatoria. Hier worden uitsluitend kinderen behandeld. Met name jongens en meisjes met aandoeningen aan hun luchtwegen.
Vanuit het centrum van Lazne Kynzvart lopen we de helling af. Naar een paar stuwmeertjes en het slot van de Oostenrijkse staatsman Metternich.
Onderweg valt op, dat de beheerders van natuurterreinen en landgoederen de weg naar Brussel gevonden hebben. Met subsidie van de EU is een hoogstamboomgaard aangeplant. En men is ook niet vies van commerciële activiteiten. Rondom het achttiende eeuwse slot is nog niet zo lang geleden een grote golfbaan aangelegd.
Via een park met grote bomen en veel waterpartijen komen we bij het monumentale toegangshek. In een U-vorm ligt de residentie van Metternich voor ons. Strakke lijnen overheersen. Geen overdadige versieringen. En alles is in één kleur geschilderd: lichtgeel.
Binnen is naast een groot museum ook een klein restaurant gevestigd. Wij kiezen voor de horeca.
Na de koffie met gebak gaan we verder door het slotpark. Langs een waterpartij en een hoog standbeeld van de Oostenrijkse keizer. Een stukje bos en dan opnieuw een stuk golfbaan. Ditmaal gaan we er niet omheen, maar steken we even gauw door naar boven. Naar een normale zandweg, die ons terug in het kuurdorp brengt. In het centrum eten we ons brood op. Vlakbij onze minibus. Maar we keren nog niet terug naar Loket. Eerst gaan we flink omhoog de bossen in. Ondermeer naar de restanten van een burcht. Het wordt een hele klimpartij. Reisleider Rowan twijfelt zelfs even, of we niet te ver zijn doorgelopen. Maar dan doemen in de schaduw van grote naaldbomen een paar oude muren op. Dit is de plek, waar Zweedse(!) soldaten in de zeventiende eeuw aan het plunderen en branden zijn geslagen.
Het pad, dat we volgen, gaat verder omhoog. Tot we op een splitsing komen. We slaan rechts en blijven een tijd op dezelfde hoogte lopen. De afdaling gaat via een kronkelig paadje. Bij een perceel met omgevallen en omgehakte bomen gaat het even fout. We kunnen geen markering meer vinden. De reisleider gaat op onderzoek uit en vindt na enige moeite het verlengde van het pad.
Beneden ons ligt het kuurgedeelte van Lazne Kynzvart. We lopen tussen de statige vrijstaande gebouwen door. We komen op een breed middenterrein met veel gras, bomen, paadjes, banken en speeltoestellen. Ook de kinderen ontbreken niet.
Wandeling 4: 15 km, 275 meter stijgen, 275 meter dalen

zaterdag 23 juli

Het stadje Loket ligt aan de rivier de Ohre (Eger in het Duits). Vandaag gaan we deze rivier een heel eind stroomafwaarts volgen. Over de linkeroever.
Hier bevinden zich ook een aantal kampeerterreinen. De tenten staan kort naast elkaar op een smal stukje grond. Voor de tenten en bij de toiletgebouwen is het een drukte van belang. Iedereen maakt zich klaar voor een nieuwe kanodag. Op het water zelf is het nog rustig. En ook wandelaars komen we weinig tegen.
Bij de hoge rotspilaren van de Svatosske Skaly is meer activiteit. Naast wandelaars en kanoërs, zijn er bergbeklimmers en mountainbikers actief. Op het terras van het eerste café is geen plaats. We lopen door naar het tweede etablissement, waar het aanvankelijk nog verrassend rustig is. "Zou de koffie hier wel goed zijn?" " Er zitten zo weinig mensen buiten!" Onze zorgen -zo blijkt al gauw- zijn niet terecht. Je kunt hier prima wat eten en drinken.
Met mooi uitzicht op de koop toe. Op de "rotsenstad" aan de overkant van de rivier, de kano's en de hangbrug.
Aangezien we niet de hele dag op de oever kunnen blijven plakken, komen we overeind en gaan we het rivierdal via een steil pad verlaten. Een klein half uur omhoog. Op een open stuk blazen we uit en halen we wat boterhammen te voorschijn. We hebben opnieuw honger!
Goed uitgerust gaan we de tweede helft van de wandeling aanvaarden. Over brede paden door uitgestrekte naaldbossen. Gelukkig staan de bomen niet overal dicht op elkaar, zodat we af en toe wat verder van ons af kunnen kijken.
De rivier de Ohre zien we pas weer, als we tussen de huizen van Loket lopen. We lopen niet linea recta naar ons hotel, maar nemen een paar leuke "bezienswaardigheden" mee. Zoals een stuw met smalle brug, stukken stadsmuur en het hotel, waar ooit -op hoge leeftijd- de schrijver Goethe verbleef met zijn piepjonge geliefde Ulrike.
Wandeling 5: 17 km, 300 meter stijgen, 300 meter dalen

zondag 24 juli

Vandaag gaan we opnieuw naar Karlovy Vary. Niet zo zeer om uitgebreid de stad te bezoeken, maar om wat meer te zien van de groene omgeving van dit kuuroord.
We beginnen in Brezová, een dorp op vier kilometer afstand van het centrum van Karlsbad. Uiteindelijk komen er een paar kilometer bij, want al klimmende missen we een afslag. Met een omweg bereiken we de "Beethovenallee". Daarna is het makkelijk. Gewoon het riviertje de Teplá volgen. Om ons heen blijft het groen. Langgerekte parken met grasvelden, grote bomen en verzorgde bloemperken. Geleidelijk neemt de bebouwing toe. Links van ons het enorme complex van Grand Hotel Pupp. Dan een smal paadje tussen de huizen door. Verschillende trappen en we zijn weer in het bos. Het pad blijft stijgen. Puffend bereiken we een uitspanning met mooi uitzicht. In noordelijke richting. Beneden zien we onder meer Hotel Thermal en de wat nieuwere wijken van de stad liggen. We drinken en eten wat. Tijdens de afdaling komen we op een rotsblok het beeld van het gemsje tegen, de "mascotte" van Karlovy Vary. Met een grote slinger gaan we naar het centrum. Reisleider Rowan blijft daarbij zoveel mogelijk in het bos lopen. Op een mooie plek in een villawijk staat de Russisch Orthodoxe Kerk. De gouden koepels blinken in het zonlicht. Binnen is een trouwpartij aan de gang. Vanaf onze lunchplek zien we de bruid en bruidegom naar buiten komen. Ze nemen plaats in een open koetsje.
Wij laten ons niet vervoeren. Integendeel. Wij verplaatsen onszelf. Te voet. Daarbij laten we ons niet afleiden door het drukke stadsgewoel, de vele winkels en de bronnen met geneeskrachtig water. Een paar dames van de groep doen nog een poging: "Mogen we aan de overkant iets gaan kopen?" "Doorlopen" klinkt het resoluut uit de mond van Henk. Reisleider Rowan zegt hetzelfde op een iets minder krachtige toon.
Het centrum ligt snel achter ons. Het wordt rustiger. Nog een brede weg over. En dan zijn we weer in het bos. Kaarsrechte beuken op een helling. Een afslag en omhoog naar de andere kant van de helling. Hier is een vakantiepark met huisjes en een restaurant. We besluiten, om nog wat te gaan drinken. Beneden ons ligt het vliegveld van Karlsbad. Peter houdt het wat wandelen betreft voor gezien. Hij blijft zitten en laat zich ophalen.
Uiteraard moet hij wel even geduld hebben, want de rest van de groep moet nog 3 kilometer lopen naar de bus. Overwegend omlaag. Aan de rand van het dorp wekt een bordje met het opschrift honing te koop onze aandacht. Rowan belt aan. Een man doet open en vraagt hoeveel kilo honing we nodig hebben. "Een klein potje, is dat ook mogelijk?" "Nee." Tsja dan houdt alles op.
wandeling 6: 14 km, 350 meter stijgen en 350 meter dalen

maandag 25 juli

Voor het ontbijt gooit Rowan de minibus vol met diesel en hij pompt de banden nog eens op (1 band loopt langzaam leeg zoals eerder tijdens de reis is gebleken). Bij de kassa krijgt de reisleider een groot blik bier cadeau. Handig voor onderweg! (Geen wonder, dat Tsjechen de grootste bierdrinkers van Europa zijn)
Om 08.00 uur verlaten we Loket. Via Franzenbad en As rijden we naar Selb in Duitsland. Even een stukje Beieren en Saksen en vervolgens dwars door de deelstaat Thüringen.
Bij Raststätte "Teufelstal" ten oosten van Jena strekken we de benen en bestellen we koffie met iets erbij.
Vroeg op de middag bereiken we het lunchadres. Een familierestaurant in de omgeving van Eschwege. Reisleider Rowan heeft niet gereserveerd. Gelukkig is dat geen probleem. Het personeel is bijna klaar met hun eigen maaltijd. Direct daarna gaan ze voor ons aan de slag.
Met goed gevulde magen gaan we met de voorlaatste etappe beginnen. In het Ruhrgebiet stoppen we nog eenmaal. Kort daarna verschijnt Arnhem/Arnheim op de borden en is het aftellen geblazen. Ruim voor achten wordt het station bereikt.
Bericht geplaatst door Rowan Koster op woensdag 14 maart 2012


Oud en Nieuwtocht, Oeding

30-12
Om 11.30 uur begint de eerste wandeling. Daarvoor hebben we een kopje koffie of thee gedronken in ons onderkomen: Burghotel Pass.
Na twee kilometer lopen, komen we bij een luxe “Schutzhütte”. Met schilderijen aan de wand! Hier eten we (een deel van) onze boterhammen op. Tevens worden de eerste pakken drinken aangebroken.
Een walletje begroeid met bomen vormt de grens tussen Duitsland en Nederland. Het pad buigt af en brengt ons naar een zandweg. Reisleider Rowan legt uit, dat we midden in het “coulissenlandschap” van Winterswijk staan. Door de vele houtwallen en bosjes blijft het steeds een verassing, wat er voorbij de bocht van de weg te zien is. Zo doemt er ineens een oude “schuppe” (schuur) op, waarin een galerie is gevestigd.
Op het erf van wandelcafé “Steengoed”, worden we een warm welkom geblazen door Freek met zijn midwinterhoorn. Binnen is het al heel gauw gezellig. Met gebak van een goede banketbakker, een scheutje amaretto met slagroom en een kop koffie.
Indrukwekkend zijn de “schelpkalk-groeves”. Vanachter het hek kunnen we naar beneden kijken. Naar een voormalige groeve (hier heeft al een paar keer de oehoe gebroed) en naar een nog volop in bedrijf zijnde groeve. Een amateur geoloog uit de streek voorziet ons van extra informatie.

31-12
Maar heel langzaam wordt het licht. Een sombere dag ligt voor ons. Een heel verschil met het zonnige weer van gisteren.
Het afwisselende landschap van Kotten en Woold maakt veel goed. We lopen over asfalt, over klinkers, over zand en over een voormalige spoorlijn (Borkense Baan). De koffie/thee met iets erbij is in restaurant Berenschot. Het is gevestigd in een oud bedrijfsgebouw. Naast de onderslag-watermolen.
Iets meer dan de helft van de groep kiest voor een extra lus. Hetgeen betekent, dat we de Slinge een stukje stroomafwaarts volgen. We komen in het natuurreservaat “Bekendelle” terecht. In het moerasbos staan bijzondere planten. Zoals schaafstro en mispel. Rowan demonstreert, dat rotte mispels eetbaar zijn. Je knijpt in de vrucht en er komt een appelmoesachtige substantie uit.
Naarmate de middag vordert, horen we steeds meer geknal om ons heen. Aan de rand van een weiland staat een waar kanon (met deksel) opgesteld. Er gaat een blokje carbid in. Water erbij. Twee minuten wachten. Vuur. Boem. En het deksel vliegt meters ver weg.
‘s Avonds kunnen we ons tegoed doen aan de spijzen van het “Silvesterbuffet”. Eerst dienen we geduldig af te wachten. Want het voorafje en de soep worden door het personeel uitgeserveerd. Het smaakt allemaal prima.
Met een glaasje sekt in de hand tellen we af. Tien, negen, acht…., 2012! Even naar het vuurwerk kijken en vervolgens terug naar de dansvloer. Om 01.00 uur ligt iedereen weer in zijn of haar bed. Behalve Harry Mulder, Gerry, Dicky, Peter, Jannie en Rowan. Zij gaan met een taxibusje naar een hotel in Sudlohn, om aldaar -zonder feestgedruis- van hun welverdiende nachtrust te genieten.

1-1
Ook nu weer veel bewolking en vrijwel continu (miezer)regen. Pas ’s middags wordt het af en toe droog. De koffie-/theestop bij het klooster van Burlo hebben we er dan al op zitten. En ook het avontuurlijke paadje aan de rand van het Vardingholter Venn en het Wooldse Veen. Het passeren van de grens ging nog niet zo makkelijk, twee keer moesten we over een sloot stappen. Daarbij hield niet iedereen de voeten droog.
Een lange klinkerweg brengt ons naar de volgende “attracties”: het “Nonnenven” en de “landweer van Sikking”. Minder spectaculair, maar toch wel grappig zijn de “Italiaanse Meertjes”. Bij één daarvan houden we halt. De laatste pauze. Met uitzicht op enkele “nep-zwanen”
In het hotel zitten we nog even bij elkaar voor één of meer borden soep.
Bericht geplaatst door Rowan Koster op dinsdag 10 januari 2012


KARPATHOSTOCHT (GR) (5 t/m 12 mei 2011)

Op donderdag 12 mei keerden we midden op de dag terug van het bijzondere eiland Karpathos. Een langgerekt eiland, dat nog maar kort geleden, haar geheimen op het gebied van natuurschoon en oude gebruiken heeft prijsgegeven. Een "folkloristisch paradijs" tussen Rhodos en Kreta.

Op donderdag 5 mei vertrokken we voor dag en dauw met een rechtstreekse vlucht van Transavia naar Karpathos. Op het grote voormalige militaire vliegveld stond de bus klaar, om ons naar hotel Romantica te brengen. Aan de rand van het centrum van Pigádia (ook wel Karpathos-Stad genoemd) en nabij het strand.
Na ons geïnstalleerd te hebben begonnen we om 12.00 uur met de eerste wandeling. Die voerde naar het centrum van de stad en de heuvels daar achter.
Een aardige dame in een strandtent wist ons te verleiden tot een lunch. Aan een hapje eten waren we wel toe. Zeker wanneer je vele uren eerder bent opgestaan.
Het brood en de salade verschaften ons nieuwe energie. Om de heuvel op te komen in de fel brandende zon. Niet gemakkelijk. Maar we sjokten dapper door. Onder de dennen. Naar een prachtig gelegen kapel (Aghios Kyriaki). Met wijds uitzicht. En met het geluid van geitenbellen onder ons.
Een onverhard stenig paadje naar beneden bleek veel te steil. Dus rechtsomkeert gemaakt. Naar het asfalt. Zodat we rustig om ons heen konden kijken. Een grote naar aas stinkende aronskelk werd uitgebreid vastgelegd. En halverwege de afdaling raakten we nog in gesprek met twee fietsers uit Nijmegen.
Tweeëneenhalve kilometer en drie kapellen scheidden ons toen nog van de hoofdstad. En van de Griekse ijskoffee (café frappé) met iets zoets erbij.
's Avonds lieten we de binnenstad voor wat hij was. We staken enkel de weg voor het hotel over, om in het dichtstbijzijnde restaurant te eten.
Wandeling 1: 8 km, 250 m klimmen en dalen

vrijdag 6 mei
Een stevige wind begroette ons, toen we uit de taxi's stapten. Gelukkig had iedereen nog een extra kledingstuk meegenomen voor het geval dat.
In de beschutting van de Aghios Mamas-kapel konden we weer op temperatuur komen. Dit voor de beschermheilige van de herders gebouwde optrekje is waarschijnlijk de oudste van alle 750 kapellen op Karpathos. Het is in de negende eeuw door mensen van Aziatische afkomst (Syrië) gebouwd.
Nadat we kort het interieur (fresco's) bewonderd hebben, gaan we vol goede moed verder. Langs olijvenboomgaarden met talloze bloemen (o.a. "wilde gladiolen", kroonganzebloemen, geel brandkruid, "roze winde", "brem"). En zowaar, de wind neemt iets af. De reisleider ontdekt tussen al interessante planten ook een "gestroomlijnde sprinkhaan".
In Menetes gaan we kriskras door het dorp. Als eerste springt de grote kerk in het oog. Met aan de voorzijde een plein en aan de achterkant een 80 meter diepe afgrond. Aan beide kanten van de hoofdstraat zijn er nauwe steegjes met hoge treden. Een waar doolhof met verassende doorkijkjes. Vrijwel elk huis heeft een binnenplaats, waar potplanten en een enkele fruitboom de hegemonie van steen, tegels en beton proberen te doorbreken. Achter de veelal strakke en ietwat saaie gevels gaan soms verrassend fraaie interieurs schuil. Hetgeen blijkt als we het huis van een oude mevrouw mogen bekijken. We komen haar tegen in de dorpskroeg, waar we "koffie" (nescafé) drinken.
Reisleider Rowan herkent haar onmiddellijk van een eerdere ontmoeting. Hij probeert haar duidelijk te maken, dat hij haar huis wel weer wil zien. Maar dan nu met 9 mensen. Kan dat? Ze voelt wel voor wat extra aandacht. Ook een dorpsgenoot, Aristides, wil graag in de belangstelling staan. Vol trots vertelt hij, dat hij onlangs 90 jaar is geworden.
In het kleine huisje zijn de "ooohs" en "aahs" niet van de lucht. We staan in een mooie kamer, met tientallen borden en foto's aan de wanden. Recht voor ons de "soufa", een soort open bedstede, waar in het verleden de hele familie sliep. Ook deze is goed gevuld met huisraad. Een bed, een kast, een oude radio, dekens, fel gekleurde kleedjes en opnieuw heel veel wandborden en foto's.
Niet alles in het huisje is authentiek. Een knots van een koelkast en een flatscreen-tv springen in het oog. Onlangs gekocht van de Amerikaanse pensioendollars?
Het boertje, dat we een eindje buiten Menetes tegenkomen, zit er minder warmpjes bij. Hij bewoont een eenvoudig stulpje. We worden uitgenodigd om verder te komen.
Hennie gelooft het wel, ze loopt liever door. De rest van de groep laat zich verleiden. We krijgen alle vertrekken -hoe klein ook- te zien. Uiteraard mogen we niet met lege handen vertrekken. De gastheer deelt verse geitenkaasjes en artisjokken uit.
De geitenkaasjes kunnen we tijdens de lunch gelijk uitproberen. We zitten bij een kapel, uit de wind en in de zon. Alles wat we hebben meegenomen smaakt heerlijk. De bruine puntbroodjes, de tomaten, de komkommer en de geitenkaasjes.
In de verte ligt beneden Pigádia. De stad komt langzaam maar zeker dichterbij. Hier is het nog rustig. Schuurtjes, geitenonderkomens en enkele huizen. Vlakbij een huis staat op een heuveltje een grafmonument uit een ver verleden. Uit een stuk rots hebben mensen eerst een soort van sarcofaag gezaagd en vervolgens hebben ze dit zware voorwerp op een wat kleiner rotsblok gezet. Merkwaardig.
Op een T-splitsing houden we rechts aan. We passeren diverse graanvelden met veel klaprozen. De grond is hier kennelijk minder stenig.
Het asfalt dient zich aan en niet veel later de eerste huizen van Pigádia. Via de bedding van een droogstaande beek bereiken we de weg, waar ons hotel aan ligt. De meesten van ons willen echter eerst nog naar de haven, om op één van de vele terrassen wat te drinken.
's Avonds maken we kennis met de bijzondere streekgerechten van restaurant To Ellinikon.
Wandeling 2: 15 km, 100 m stijgen, 350 meter dalen

zaterdag 7 mei

Met 3 taxi's zijn we naar het hoogst gelegen dorp van Karpathos (Othos op 500 meter) gereden. Waar we eerst de werkplaats van een houtbewerker bezocht hebben. Deze man maakt mooie gebruiks- en siervoorwerpen van verschillende soorten hout (o.a. olijf). Souvenirs van hoge kwaliteit!
De moeite waard om aan te schaffen. Maar hoe gaan we de nieuwe aanwinsten vervoeren? De hele dag in de rugzak? Of komen we vanmiddag terug? "Tot hoe laat bent u open?"
"Ooh u bent een deel van de middag weg?" Tsja wat nu. De vrouw van de houtbewerker komt met de beste oplossing: "Ik lever jullie aankopen af bij de receptie van jullie hotel!"
Met een gerust hart dalen we af naar de hoofdstraat van Othos. Om koffie te drinken. We kunnen kiezen uit twee cafés, die tegenover elkaar liggen. Het wordt het rechtse etablissement. Want het terras ligt het meest in de zon.
Othos heeft nog een paar bezienswaardigheden voor ons in petto. Het winkeltje van de dorpspriester, de expositieruimte van een muzikant/kapper/schilder en een kapel. In het winkeltje zit de vrouw van de priester. En iets verderop loopt waarempel haar man. Met een stok in de hand. De schilderijtjes van meneer Ioánnis Chapsís vallen tegen. Ze zijn wel heel erg simpel uitgevoerd. Onder kunst versta ik iets heel anders! Nee dan de kapel. Hier valt meer te zien. Zwarte en witte kiezelstenen op de vloer en buiten een krachtige bron.
De hoogste tijd, om te beginnen met de belangrijkste activiteit van vandaag: wandelen. Langs vervallen windmolens naar het buitendorp Kalenes. Voorbij dit buurtschap even doorgelopen naar een bergkammetje. Hier achter bleek -in de diepte- een mooie kloof te liggen. Terug naar de vruchtbare hellingen van Kalenes en Stes. Veel wijngaarden en boomgaarden.
In Pyles raken we aan de praat met een Nederlander, die loodgieter en trainer van het eerste voetbalelftal van Karpathos is.
Wandeling 3: 16 km, 150 meter stijgen en dalen

zondag 8 mei

Vanuit de lucht stelt het eiland Karpathos niet zoveel voor.
Een langgerekt strook land in de uitgestrekte zee. Je vliegt er zo over heen.
Ben je eenmaal neergestreken op het eiland, dan zijn er wel degelijk afstanden. Vanaf ons hotel in de hoofdstad, is het bijvoorbeeld een flinke taxirit naar het dorp Levkos aan de westkust. Via een bochtige kustweg met prachtige vergezichten rijden we erheen. Beneden ons in de diepte zien we een paar fraaie kiezelstrandjes liggen. Kort voor Spoa verlaten we de oostkust en gaan we voor de eerste maal kennismaken met de andere kant van Karpathos.
Eerst rijden we een heel stuk door dennenbos. Totdat, voorbij een bocht, er alleen nog maar zwartgeblakerde stammen op de helling staan en liggen. De stille getuigen van een flinke brand. Gelukkig begint de bodem op veel plaatsen al weer wat groen te kleuren.
In de nog stille badplaats Levkos, lopen we een schiereilandje op. Hier is meer bedrijvigheid. We passeren een paar mannen, die druk bezig zijn met boren, timmeren en spullen sjouwen. Bij Captain's Home kunnen we wel plaatsnemen.
Met een kop koffie in de hand kijken we naar een jongeman met vriendin, die vanaf zijn boot met een werphengel grote vissen tracht te vangen. Met een flinke zwaai gaat er een lang stuk lijn met aas richting volle zee. Al snel heeft hij beet. Een meeuw heeft toegeslagen. O jee, dat loopt slecht af voor de vogel. Het haakje zal al wel helemaal in zijn maag zitten. Zo denken we. Maar..., een klein kwartier later gooit de visser de meeuw de lucht in en hij of zij vliegt zonder problemen weg.
Wij gaan er ook vandoor. In noordoostelijke richting. We passeren de restanten van een Romeinse cisterne (ondergronds waterbassin) en we lopen dwars door het verbrande dennenbos.
Ons doel, het schilderachtige Mesochori ligt om de hoek. Maar we moeten verschillende kloofjes door en kammetjes over, alvorens het op een helling gelegen dorp in zicht komt.
Vlak voor Mesochori slingert het pad door olijfboomgaarden. Het zijn kleine ommuurde percelen.
Temidden van veel struikgewas en rotspartijen.
We passeren een kleine vuilnisbelt met brommer. Vervolgens een steil stukje omhoog, een kerkje en dan de eerste huizen van Mesochori.
We hebben allemaal honger en dorst. Het is reeds twee uur geweest. Boven bij de parkeerplaats schijnt een restaurantje open te zijn. Via tal van stegen en trappen bereiken we de hoofdingang van het dorp. Er is een restaurant. En de deur is open. Binnen is het stil. Niemand te zien. Alleen een meisje, dat naar de televisie kijkt.
Reisleider Rowan pakt zijn boekje "Wat en hoe Grieks" en zoekt relevante zinnen op. "Kunnen we hier wat eten?" "Kun je je moeder/vader ophalen?"
Het meisje kijkt bedenkelijk. Maar ze gaat aan de slag. Ze loopt naar buiten, ze belt. En wij wachten af. Aanvankelijk gebeurt er niets. Het geluid van de televisie wordt weer harder gezet en het meisje kijkt geboeid naar tekenfilms. Een half uur later zitten we toch achter een heerlijke salade. Met vers brood erbij. Een man en een vrouw zijn uit het niets tevoorschijn gekomen en zijn direct aan de slag gegaan.
Dat is het mooie van Griekenland. Mensen willen je altijd helpen, ze verkopen liever geen nee, ze kunnen goed improviseren en ze blijven vriendelijk. Of het gaat lukken weet je echter nooit. Lang van te voren iets regelen, stuit op allerlei mitsen en maren. Alle gesprekken beginnen en eindigen steevast met: wellicht, mogelijk, eventueel, met een beetje geluk....
Na de lunch is er geen tijd meer, om nog 6 kilometer door te lopen richting Spoa. Wel kunnen we het dorp nog wat uitgebreider gaan bekijken. Iedereen gaat mee. Een stukje de helling af, op zoek naar de hoofdkerk, die -hoe raar het ook klinkt- behoorlijk verstopt ligt. Achter hoge rotswanden. Voorbij een gezellig café (met oude Griekse mannetjes) en een tegen de rots gebouwd restaurant. Beide etablissementen zijn dus gewoon open.
Onder de kerk is een ruimte, met drie krachtige waterbronnen. En voor de kerk kunnen we een rondje lopen op het plein. De kerk zelf is helaas gesloten.
wandeling 4: 10 km, 200 m stijgen en 200 m dalen

maandag 9 mei

Het is gelukt. Op de vrije dag kunnen we met de gehele groep naar Olympos.
En we zijn niet afhankelijk van een veerboot, taxi's of een bus. We gaan met twee gehuurde terreinauto's naar het noorden. Deelnemer Kerst en reisleider Rowan treden op als chauffeurs.
Het wordt een inspannende rit. Helling op en helling af en heel veel bochten. Niet teveel naar rechts en links kijken. De blik blijven concentreren op de weg. Er is niet veel verkeer. De breedte van de hele weg kan benut worden. Natuurlijk wel regelmatig toeteren. Zeker aan het begin van een onoverzichtelijke bocht.
Voorbij Spoa houdt het asfalt op. Hier moeten gewone huurauto's rechtsomkeert maken. Wij rijden door. Over een aanvankelijk zeer brede grindweg. Halverwege wordt de "piste" ineens veel smaller. En steniger. Stapvoets over de hobbels en door de kuilen. Al gauw wordt de weg weer breder. We passeren een paar vrachtauto's, een wals en een asfalteermachine. Echter geen wegenbouwer te zien. Wel een waakhond.
Het is de bedoeling, dat Olympos over land over een paar jaar goed bereikbaar is. De inwoners van het noorden wachten -net als voorgaande jaren- rustig af.
Het landschap om ons heen is ruig. Bergen van meer dan 500 meter hoog. Op een smal stukje land. Kale hellingen overheersen. Geen huis te zien. Wel een enkele kapel en groepjes olijfbomen.
Asfalt onder de wielen. We kunnen iets harder gaan rijden.
En dan ... ligt daar Olympos! Tientallen huizen, dicht op elkaar, op verschillende hellingen. Imponerend.
Dat mensen eeuwen terug nou juist deze plek hebben uitgekozen! Geen lieflijke vruchtbare vallei, maar een desolaat winderig oord.
We beginnen met koffie. Een mevrouw in klederdracht bedient ons. Het restaurant is "stijlvol" ingericht. Met echt oude en wat minder oude snuisterijen. Twee zingende kanaries zorgen voor nog wat extra gezelligheid. Voor de vorm? pakt de uitbaatster haar handwerkje weer op.
Olympos is anno 2011 een wonderlijke mix van folklore en commercie. Het hele jaar door. Ook op een gewone maandagmorgen. Er zijn meer toeristen. En de meeste winkeltjes zijn open.
We laten ons niet verleiden tot grote uitgaven. Daarvoor zijn wij wandelaars veel te nuchter. Want wat moet je nou met al die kleedjes en tasjes? Zijn ze wel in Olympos gemaakt? Boze tongen beweren immers, dat veel "handwerkprodukten" een klein etiketje hebben met het opschrift: "Made in China".
Wij lopen door naar de windmolens aan de westkant van het centrum. Op een winderige rotskam staan ze keurig op een rijtje. De meeste hebben ook wieken.
Dit is het rustige gedeelte van Olympos. Hier moet ook ergens de dorpspriester wonen. We gaan op zoek. Via smalle paadjes en veel trapjes bereiken we de achterkant van een huis. Er staan veel planten en struiken op de binnenplaats. Hier zou het wel eens kunnen zijn, zegt reisleider Rowan. En dat klopt. De papas is er niet, maar wel zijn vrouw. Zij is bereid, om ons haar huis te laten zien en ze wil ook wel even de deur van de kerk openmaken. Tegen betaling van 1 euro per persoon.
's Middags komen we de priester alsnog tegen. In een cafeetje in Avlona. Hij is daar, om zijn landerijen te bewerken. Hij heeft gewone kleding aan. Maar Rowan herkent hem aan zijn gezicht.
We hebben de lunch (in een restaurantje nabij de molens van Olympos) en een wandeling (vanuit het buitendorp Avlona een stukje de stilte in) er dan al op zitten. We drinken nog wat en gaan vervolgens terug naar het "jachtige" Pigadia.
's Avonds kiezen we voor het restaurant aan de overzijde van het hotel. Geen wandeling naar het centrum. Alleen even de straat oversteken. Het is immers "rustdag".

dinsdag 10 mei

We blijven wat dichter bij "huis". Een kort taxiritje brengt ons naar de grote kerk van Aperi. Naast het kantoor van de bisschop is een leuk koffiehuis. We gaan naar binnen en worden enthousiast welkom geheten door de eigenaar.
Een luid "bravo", komt uit zijn mond, als we hem vertellen, dat we naar de kapel van de profeet Ilias gaan. Ook het feit, dat we meehelpen met het in gereedheid brengen van de koffietafel, doet hem nog menigmaal "bravo" uitroepen.
Vol energie gaan we een klein uurtje later echt op weg. Even een paar steegjes door en dan het dorp uit. De eerste kilometers zijn niet moeilijk. We gaan zelfs eerst nog een stukje naar beneden. Voorbij een huisje verlaten we de grindweg. Bordjes en gekleurde stippen wijzen ons de helling op. Tussen steenblokken en struikgewas gaan we omhoog. Recht boven ons ligt op 497 meter de kapel. Het pad gaat echter eerst naar rechts naar een zadel. Vanuit deze open plek gaat het pad zigzaggend verder. Boompjes en struikjes belemmeren het uitzicht. Na flink wat gehijg en gepuf, zien we het dak en de muren van de kapel opdoemen. Applausje voor ons zelf.
Even uitrusten en dan weer naar beneden. Helemaal naar zeeniveau, naar het strand: Achata Beach.
Onderweg picknicken we onder een stel olijfbomen. Een schaduwrijk plekje. Wel hangt er een sterke geitenlucht. Kennelijk hebben deze dieren hier een dag eerder gepauzeerd.
Op twee kilometer van het strand splitst de groep zich. De deelnemers, die voor het gemak kiezen, blijven het asfalt volgen. De deelnemers, die nog wat energie over hebben, "duiken" het beekdal in. Langs en door het droge beekdal gaat het verder. De snoeischaar van de reisleider moet er af en toe aan te pas komen. Hij knipt niet alleen braamstengels en tamarisktakken af, maar ook -fraai bloeiende- oleandertakken.
Op het strand is de groep weer compleet. Enkele deelnemers zoeken de verkoeling van het water op.
wandeling 5: 13 km, 250 m stijgen en 500 m dalen

woensdag 11 mei

De reisleider had het al een paar keer aangekondigd: "Tijdens de laatste wandeldag gaan we de kloof in"."Een zware tocht".
Het begin van de kloof laat echter lang op zich wachten. Het lukt namelijk niet, om vanuit het dorp Volada naar de Lastos-hoogvlakte te lopen. We raken uit de koers en komen uiteindelijk in een groeve terecht. Onderweg moeten we een belangrijke afslag hebben gemist. Rowan bekent schuld en besluit de taxichauffeur te bellen. Om ons alsnog naar de hoogvlakte te brengen.
Het duurt echter geruime tijd, voordat we allemaal zijn vervoerd. Degenen, die als eerste naar boven zijn gebracht, hebben lang in de vochtige kou moeten wachten. Op 700 meter hoogte kan de zon lang niet altijd door alle wolken en nevel dringen.
Taveerne Kalí Limni, op 1,5 kilometer afstand, biedt uitkomst.
Binnen is het warm, de open haard brandt. Wij schuiven aan.
Met koffie of thee binnen handbereik.
Als de mokken en glazen leeg zijn, gaan we toch maar op pad. Het weer is niet geweldig. Er is veel bewolking. En het lijkt of er regen komt. Tevens rommelt het een beetje in de lucht.
Alvorens de echte afdaling begint, houden we nog halt voor de lunch. Het is goed, om wat in de maag te hebben.
Als we opbreken, is de lucht op verschillende plaatsen een stukje donkerder geworden. Krijgen we nu onweer of niet?
Voorlopig blijft het droog. De zon gaat nog niet helemaal schuil achter wolken.
Voor verschillende deelnemers is het even slikken, als zij voor de eerste maal voor een diepe achtergrond staan. Moeten we hier naar beneden? Kan en wil ik dit wel?
Het is wennen. Dit is zwaarder dan verwacht.
Iedereen zet zijn of haar beste beentje voor en langzaam dalen we af. Als groep hebben we de afspraak gemaakt, dat we om de 45 minuten pauzeren. Het is immers geen doen, om bij elk lastig stukje stil te staan. Iedereen zal op zijn of haar eigen manier het grote hoogteverschil moeten overbruggen.
Twee maal 45 minuten gaan voorbij. Iedereen is heel stil. Sommigen zien de kloof als een leuke uitdaging. De meesten hopen echter, dat het einde zo snel mogelijk in zicht komt.
We worden extra op de proef gesteld; het gaat regenen. Dus nog beter uitkijken, waar je je voeten neer zet. Tegen half vijf bereiken we de kustweg. Op hetzelfde moment komt de eerste taxi voorrijden.
In het hotel kunnen we bijkomen van ons avontuur. We doen de regenkleding uit en we gaan onder het genot van een glaasje de wandeling evalueren.
wandeling 6: 12 km, 150 m stijgen en 700 m dalen
Conclusie: deze wandeling door de kloof (Lastos-hoogvlakte - Adia Beach) is ondanks het fraaie natuurschoon niet voor herhaling vatbaar. In 2012 zal dag 7 op een andere manier worden ingevuld.

donderdag 12 mei

Om negen uur 's morgens staan we met onze koffers op het terras van hotel Romantica. We nemen afscheid van de medewerkers van het hotel.
Via Arkasa (westkust) rijdt de bus naar het vliegveld.
Een kleine twee uur later stijgt het vliegtuig van Transavia op. Met als bestemming Kalamata (tussenlanding) en Schiphol.
Karpathos tot ziens!
Bericht geplaatst door Rowan Koster op donderdag 18 augustus 2011


MINHOTOCHT (Noord-Portugal); 10 tot en met 17 juni 2011

"Iets erbij".

Al in de oertijd van Uniek Voettochten toen Henk de Rooij nog de scepter zwaaide, was tijdens elke reis "er iets bij". Meestal was dat een flink stuk appeltaart bij de koffie, maar het kon ook een Limburgse vlaai, een Deventer koek, of een Arnhems meisje zijn. Als er maar "iets" bij was. Rowan, die nu al weer vier jaar geleden het stokje van Henk de Rooij heeft overgenomen, staat erop dat er altijd "iets" bij zal zijn.
En aldus geschiedde het bij de splinternieuwe MINHOTOCHT in het noorden van Portugal.

Vrijdag 10 juni
Op de aankomstdag, vrijdag 10 juni, deed de TAP (Portugese vliegtuigmaatschappij) er een paar uur bij, omdat in Lissabon de aansluiting werd gemist, waardoor men pas om half negen 's avonds in hotel Adelaide in Caldas de Geres aankwam, maar waar de keuken al gewaarschuwd was en iedereen toch met een tevreden gevoel en goed glas wijn erbij zich te ruste kon leggen.

Zaterdag 11 juni
De volgende dag werden we met het busje van Adelaide naar het museum in Campo de Geres gebracht, om de agrarische gebruiken van de vroegere bewoners van Vilarinho das Furnas te bekijken en de op de hoogte te geraken van de Romeinse legerweg, de Geira, die 2000 jaar geleden bij Campo de Geres liep. We hebben een groot stuk van die Romeinse heerbaan gelopen en we zijn authentieke mijlpalen tegengekomen en we hebben zelfs gezien hoe een werkplaats van mijlpalen er uit zag. En dat midden tussen prachtige eeuwenoude eikenbomen in het Mata de Albergaria. 's Avonds was het toetje in het restaurant van Adelaide niet alleen warme gepofte appel uit de oven, maar ook ijs, slagroom en iets van Licor Beirao erbij.

Zondag 12 juni
Op de mooie Pinksterdag van 12 juni hadden we in het karig voorziene café Bosque in Covide slechts zelf meegenomen mariakaajes bij de koffie en een bemoedigend woord van Rowan via de mobiele telefoon. Maar dat werd helemaal goed gemaakt door de kudde wilde paarden die we hoog in de bergen van Seara tegenkwamen en een nog grotere kudde schapen en geiten , terwijl de Serre de Estrella herdershond ons wantrouwend toeblafte tussen de talrijke varens.
Een oude in het zwart geklede vrouw deed de was met de hand in de grote granieten wasvijver van Seara vlakbij de dwars over de weg gebouwde espigueiro, het typische graanschuurtje van de Alto Minho.
's Avonds werd onze gezondheidsprofetes gehuldigd, die de heilsleer had verkondigd van het dagelijks nuttigen van troebele appelazijn met iets van Ahorn- siroop erbij. Joke is nu de trotse draagster van de appelazijntrofee. Hetgeen uiteraard alleen voor de allersterksten is weggelegd.

Maandag 13 juni
De tweede Pinksterdag was bestemd om door de bergen naar het 300 meter hoger gelegen jachthuis van Junceda te klimmen en vandaar via kruip-en sluipdoor geitensporen en wildpaden af te dalen naar Campo de Geres. Wat wel enig spoorzoeken vergde, maar door de steenmannetjes bleven we op koers. In het restaurant van hotel Stop in Campo de Geres wachtte een uitgebreide late lunch, met heel veel extra soep en olijfolie. Na het overvloedige diner was er zomaar een trotse draagster van de steenmannetjestrofee in ons midden erbij.

Dinsdag 14 juni
Dinsdag 14 juni was de rust -en verplaatsingsdag van Caldas de Geres via Ponte de Lima naar Caminha helmaal in noorden van Portugal aan de monding van de grensrivier de Minho.
Onze supergrote bus kon toch het parkeerterrein aan de rand van de rivier de Lima opkomen en in de mooie stad hebben we een rustige stadswandeling gemaakt en de tuinen aan de overkant van de Lima bezocht. De lunch bij de brug was eenvoudig doch voedzaam en vooral met een mooi uitzicht op de rivier .In Caminha waar we tegen 4 uur aankwamen, logeerden we in Pension Arca Nova, vlakbij het historische centrum op loopafstand van het beroemde pleintje met de 16de eeuwse stadsfontein. Het eten in het restaurant Petisceira bij "onze jongens" was als vanouds heel lekker en overvloedig met veel hilariteit en koffie erbij.

Woensdag 15 juni
Op woensdag begonnen we in Caminha vanuit het pension te lopen naar de kloosterkerk en via de openbare wasplaats bovenlangs naar ons huis in Cristelo waar een kopje koffie wachtte met een overvloedige schaal gebakjes erbij en uitzicht op de oceaan. De klim naar boven naar de windmolens was pittig, maar we werden beloond met prachtig uitzicht over de monding van de Minho en het eiland met kasteel voor de kust. Via de calavarieberg van Ancora , de boulevard en het strand en het "grijze tentje"van Moledo terug naar Caminha. En omdat we een trotse draagster van de GPS-trofee in ons midden hadden, wisten we, dat we het dagmaximum van 20 wandelkilometers overschreden hadden en er zeker 100 meter bij was gekomen.

Donderdag 16 juni
De laatste wandeldag was bestemd voor de overtocht naar Gallicie met de veerboot die al om 8 uur 's morgens vertrok en waardoor we om 7 uur in een café aan de koffie zaten met ovenverse broodjes kaas erbij. Driehonderd meter hoog lag de top van de Monte Tecla op ons te wachten en via een gemarkeerde route bereikten we de verkoopstalletjes met in de aanbieding veel troepica toeristica, waaronder dansende Gallicische heksjes op een stokje. Hoeveel gekkigheid kan een stokje verdragen, broeders en zusters? Pauze met koffie en een adembenemend panorama over de Minho , de Spaanse en Portugese kust. We bevonden ons op het meest zuidwestelijke puntje van Spanje. Via de opgravingen van een Keltische nederzetting bereikten we tegen lunchtijd de havenstad Guarda. De restaurants aan de haven zijn beroemd om hun lekkere vissen, kreeften en langoustines. Onze lunch bestond uit meerdere schalen tapa's van calamares, mosselen, garnalen in olie en knoflook en sprankelende witte wijn erbij. Daarna had iedereen behoefte aan rust wat er op neer kwam dat vrijwel iedereen zich op het strandje van de haven neervlijde in een horizontaal meditatieve houding. De weg terug naar de veerboot langs de hoogopspattende golven van de oceaan en de aangename zeewind was een makkie en na een frisse duik in het water van de Minho bereikten we moe maar voldaan weer de Portugese bodem na 15 kilometer te hebben afgelegd. Na het cultuur-historisch slingertje door de stad Caminha was er een slokje met iets erbij op het plein.

Vrijdag 17 juni
De laatste dag 17 juni was bestemd voor de terugreis en een bezoek aan het historische havenstadje Viana de Castelo. De meesten gingen met de boemeltrein van 10 uur naar Viana en een paar stapten bij Han in het Volkswagenbusje vol bagage van de groep.
Met een kabelbaantje bezochten we de Santa Luzia, een kathedraal op de bergtop bij Viana met weer een magnifiek uitzicht, nu op de monding van de Lima, de stad en Darque, de havenplaats aan de zuidkant van de rivier.
Na de lunch in Viana en een bezoek aan de mooie barokke achttiende eeuwse gebouwen gingen we met een taxi en het volkswagenbusje naar het vliegveld van Porto.
Volgens schema vlogen alle negen deelnemers om vijf voor vijf met het vliegtuig naar Amsterdam, met een voldaan gevoel vanwege de prachtige wandelingen, gezellige tijd, de leuke groep en vele trofeeën erbij. Ik, als herder en hoeder van de groep ben nu de trotse drager van de zonnetrofee, vanwege de vele zonnige momenten die we beleefd hebben en dat bedoeld in allerlei opzichten.
Jammer, dat de reis maar 8 dagen geduurd heeft en misschien is dat een idee voor het volgende jaar… nog een paar dagen erbij.
Bericht geplaatst door Han Sibon (reisleider Minhotocht) op maandag 11 juli 2011